ilm Madrasah
Onderdelen

Partikels & operatoren

Voorzetsel (ḥarf jarr)

mabnī · onveranderlijk
حرف الجر

Wat houdt het in

De regel eerst, dan het waarom

Regel

Een voorzetsel is mabnī (onveranderlijk) en veroorzaakt jarr in het volgende naamwoord.

Waarom

Partikels veranderen zelf niet van vorm; hun werk is een ander woord beïnvloeden.

Onthouden

مِنْ، إلى، عَنْ، على، فِي … — onveranderlijk, maar sturend.

De regel, volledig

In het Nederlands ken je het voorzetsel al: 'in', 'uit', 'naar'. Het Arabisch heeft diezelfde woordsoort. Die heet ḥarf jarr (حَرْفُ الجَرِّ). Een ḥarf jarr is geen naamwoord (ism) en geen werkwoord (fiʿl). Het is de derde woordsoort: een partikel (ḥarf) dat aan een betekenis voorafgaat. Het Arabische voorzetsel doet wel iets extra's. Het zet het naamwoord dat er direct achter staat in de jarr-naamval (de genitief). Die naamval herken je aan de kasra op het eind. Zo horen er altijd twee woorden bij elkaar. Het eerste is het voorzetsel zelf. Dat verandert nooit en heet daarom mabnī. Het tweede is het naamwoord erachter, de ism majrūr. Dat woord draagt de jarr. Het voorzetsel veroorzaakt de naamval. Zo'n veroorzaker heet de ʿāmil. Het naamwoord ondergaat de naamval. Dat heet de maʿmūl.

De oudere boeken (al-Ājurrūmiyya, Ibn ʿUthaymīn) spreken van khafḍ (خَفْض) en «ḥurūf al-khafḍ». al-Naḥw al-Wāḍiḥ spreekt van jarr en «ḥurūf al-jarr». Dat zijn twee schoolnamen voor hetzelfde begrip. Ibn ʿUthaymīn zegt dat duidelijk in het citaat hieronder. Khafḍ is de term van de school van Kūfa, jarr die van de school van Baṣra. Het teken is in beide gevallen de kasra. Die valt op het beheerste naamwoord, niet op de letter.

الخَفْضُ اصْطِلاحُ أهْلِ الكُوفَةِ، وَالجَرُّ اصْطِلاحُ أهْلِ البَصْرَةِ

Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), حروف الخفض, p. 19

Kijk naar de vier zinnen uit al-Naḥw al-Wāḍiḥ (dl. 1, p. 68) in de tabel hieronder. In elke zin volgt het laatste woord op een voorzetsel. Dat woord eindigt op een kasra. Die vier beheerste naamwoorden staan op de volgende regel.

De eerste twee zinnen betekenen: de regen daalde uit de hemel, en het leger snelde naar het veld. De laatste twee: de hond blaft in de tuin, en de angst gaat weg van het kind.

السَّمَاءِ، المَيْدَانِ، البُسْتَانِ، الطِّفْلِ

de vier beheerste naamwoorden, elk eindigend op een kasra

Vier voorbeeldzinnen: telkens een ḥarf jarr → een ism majrūr op de kasra

ZinDoelwoordFunctieModelantwoord
نَزَلَ المَطَرُ مِنَ السَّمَاءِالسَّمَاءِism majrūr (beheerst naamwoord na مِنْ)اسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ«مِنْ»، وَعَلامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ
سَعَى الجَيْشُ إِلَى المَيْدَانِالمَيْدَانِism majrūr (beheerst naamwoord na إِلَى)اسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ«إِلَى»، وَعَلامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ
يَنْبَحُ الكَلْبُ فِي البُسْتَانِالبُسْتَانِism majrūr (beheerst naamwoord na فِي)اسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ«فِي»، وَعَلامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ
يَذْهَبُ الخَوْفُ عَنِ الطِّفْلِالطِّفْلِism majrūr (beheerst naamwoord na عَنْ)اسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ«عَنْ»، وَعَلامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ

Het boek laat de leerling de conclusie zelf trekken. Daarna vat het die samen in de baḥth. Er is maar één oorzaak voor die kasra: deze voorzetsels komen ervoor staan. Juist daarom heten ze «letters van de jarr»:

وَإِذَا تَأَمَّلْنَا آخِرَ كُلٍّ مِنْ هَذِهِ الأَسْمَاءِ المَسْبُوقَةِ بِالحُرُوفِ المُتَقَدِّمَةِ وَجَدْنَاهُ مَجْرُوراً، وَلا سَبَبَ لِهَذَا الجَرِّ إِلَّا دُخُولُ هَذِهِ الحُرُوفِ، وَمِنْ أَجْلِ ذَلِكَ تُسَمَّى حُرُوفَ الجَرِّ

al-Naḥw al-Wāḍiḥ, dl. 1, al-baḥth (باب جرّ الاسم), p. 68–69

De regel zoals al-Naḥw al-Wāḍiḥ hem samenvat (qāʿida 22, p. 69) staat hieronder. Het naamwoord wordt majrūr zodra één van deze zeven voorzetsels ervoor staat:

يُجَرُّ الاسْمُ إِذَا سَبَقَهُ حَرْفٌ مِنْ حُرُوفِ الجَرِّ الآتِيَةِ وَهِيَ: مِنْ، وَإِلَى، وَعَنْ، وَعَلَى، وَفِي، وَالبَاءِ، وَاللَّامِ

al-Naḥw al-Wāḍiḥ, dl. 1, qāʿida 22, p. 69

In deze trainer oefen je nu alle zeven. Los staan مِنْ، إِلَى، عَنْ, عَلَى en فِي. Aangehecht zijn de بِـ en de لِـ. Voor de overige letters (رُبَّ، de kāf, de eedletters) geldt precies dezelfde regel. Die volgen in latere fasen. Je beheerst dit onderdeel pas als je alle zeven voorzetsels foutloos herkent en het naamwoord erna foutloos ontleedt.

Hoe ontleed je zo'n voorzetsel zelf? al-Naḥw al-Wāḍiḥ geeft het modelantwoord bij de zin hieronder:

يَعُودُ الغَائِبُ إِلَى الوَطَنِ

de afwezige keert terug naar het vaderland

إِلَى: حَرْفُ جَرٍّ. الوَطَنِ: اسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ«إِلَى»، وَعَلامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ

al-Naḥw al-Wāḍiḥ, dl. 1, iʿrāb-model, p. 71

Let op het verschil tussen die twee regels. Het naamwoord الوَطَنِ krijgt een volledige ontleding: majrūr, met de zichtbare kasra als teken. Het voorzetsel إِلَى krijgt niet meer dan «حَرْفُ جَرٍّ». Het heeft geen naamval, want het is mabnī. De naamval geldt alleen voor het naamwoord erna. Beginnersboeken korten die tweede regel af tot alleen «حَرْفُ جَرٍّ». De volledige klassieke vorm zegt er nog bij dat het mabnī is en geen plaats in de ontleding heeft. Die formule staat op de volgende regel. Beide vormen zeggen hetzelfde. De volledige vorm vind je in de sectie 'Zo zeggen de boeken het'.

لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَابِ

zonder plaats in de ontleding

al-Naḥw al-Wāḍiḥ (Ibtidāʾiyya), dl. 1, باب جرّ الاسم, p. 68–71 (amthila · al-baḥth · qāʿida 22 · iʿrāb-model); Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), حروف الخفض, p. 19 (khafḍ = Kūfa-term, jarr = Baṣra-term)

Wat het wel en niet is: voorzetsel (ḥarf jarr) tegenover beheerst naamwoord (ism majrūr)

De grootste verwarring op niveau 1 gaat over twee dingen. Aan de ene kant staat het voorzetsel zelf, de ḥarf jarr; aan de andere kant het naamwoord dat majrūr wordt, de ism majrūr. Neem «فِي البَيْتِ» (in het huis). Daarin staan die twee tegenover elkaar.

«فِي البَيْتِ»: twee tegengestelde dingen naast elkaar

فِي

de ḥarf jarr: het voorzetsel, mabnī, zonder naamval, de veroorzaker (ʿāmil)

البَيْتِ

de ism majrūr: het naamwoord dat de kasra draagt, het bewerkte (maʿmūl)

Links de veroorzaker, rechts het woord dat de jarr krijgt.

Onthoud dit goed. De jarr zit op het woord dat op het voorzetsel volgt, nooit op het voorzetsel zelf. Wie vraagt «welke naamval heeft فِي?» stelt de verkeerde vraag. فِي heeft geen naamval. Alleen het woord erna staat in de jarr. De boeken behandelen deze twee dan ook apart. De «ḥurūf al-khafḍ» (de letters) staan los van «al-makhfūḍ bi-l-ḥarf» (het door de letter verlaagde naamwoord). In dit leerplatform zijn het daarom twee aparte onderdelen. Het eerste is harf-jarr, deze les. Het tweede is ism-majrūr, de aparte les over het naamwoord.

Let nog op iets. Sommige voorzetsels dragen zelf een vaste klinker. De bāʾ (بِـ) eindigt op een kasra. De vijf voorzetsels op de volgende regel eindigen op een sukūn. Bij إِلَى en عَلَى is die sukūn 'geschat'. Meer daarover in de verdieping verderop.

مِنْ، عَنْ، فِي، إِلَى، عَلَى

elk eindigend op een sukūn: een vast bouwteken (bināʾ), geen naamval

Die klinker is een bināʾ-teken, een vaste bouwklinker. Hij verandert nooit en is geen iʿrāb-teken. Lees de kasra van de bāʾ dus niet als 'jarr'. Die kasra hoort gewoon bij de vorm van het voorzetsel. Dat is het verschil tussen bināʾ en iʿrāb. Bij bināʾ ligt het teken vast. Bij iʿrāb verandert het teken met de functie in de zin. In het kleursysteem van deze app zie je dat terug. De ism majrūr krijgt de jarr-kleur, want dat woord heeft een naamval. Het voorzetsel is een marker en heeft zelf geen naamvalskleur.

Ibn ʿUthaymīn wijst op nog iets: niet elke لام is een jarr-letter. In het vers in het contrastpaar hieronder komt de lām twee keer voor, elke keer met een andere functie.

«وَإِنَّهُ لِحُبِّ الخَيْرِ لَشَدِيدٌ»: twee keer een lām, twee functies

لِحُبِّ

de eerste lām = ḥarf jarr → حُبِّ is majrūr (kasra)

لَشَدِيدٌ

de tweede lām = «لِلتَّوْكِيدِ وَلَيْسَتْ حَرْفَ جَرٍّ» (benadrukking, geen jarr-letter) → شَدِيدٌ blijft marfūʿ

Kijk altijd naar het effect. Maakt de letter het volgende naamwoord majrūr, met een kasra? Dan is het een voorzetsel.

De toets is dus altijd het effect: verlaagt de letter het naamwoord erna naar de kasra, dan werkt ze als voorzetsel. Zo niet, dan is het een andere letter die toevallig dezelfde vorm heeft. Verder geldt: jarr (khafḍ) is er alleen voor naamwoorden. Een werkwoord wordt nooit majrūr. Een voorzetsel wijst dus altijd naar een naamwoord.

Vooruitblik: het voorzetsel is niet de enige oorzaak van jarr (iḍāfa en tābiʿ, fase 6)

Tot slot een korte vooruitblik. Een voorzetsel is niet de enige manier waarop een naamwoord majrūr wordt. al-Tuḥfa opent het hoofdstuk met drie manieren; je vindt ze in het citaat hieronder. Een naamwoord kan majrūr worden door een voorzetsel, door iḍāfa (een bezitsverbinding), of doordat het als tābiʿ een majrūr volgt. Op niveau 1 leren we alleen de eerste soort. iḍāfa en tābiʿ komen in fase 6 aan bod.

المَخْفُوضَاتُ ثَلاثَةُ أَنْوَاعٍ: مَخْفُوضٌ بِالحَرْفِ، وَمَخْفُوضٌ بِالإِضَافَةِ، وَتَابِعٌ لِلْمَخْفُوضِ

al-Tuḥfa al-Saniyya, المخفوضات من الأسماء, p. 154

Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), حروف الخفض, p. 26 (lām al-jarr vs. lām al-tawkīd) + أقسام الإعراب, p. 46–47 (jarr exclusief voor naamwoorden); al-Tuḥfa al-Saniyya, المخفوضات من الأسماء, p. 154 (drie soorten makhfūḍ); conceptsplitsing harf-jarr ↔ ism-majrūr (curriculum-map.md)

Veelgemaakte fouten

Fout 1: het naamwoord na het voorzetsel rafʿ (ḍamma) of naṣb (fatḥa) geven in plaats van de kasra

fout:

عَلَى العَرْشُ

met ḍamma: fout (ook «عَلَى العَرْشَ» met fatḥa is fout)

goed:

عَلَى العَرْشِ

met kasra: juist

Dit is de klassieke misstap. Ibn ʿUthaymīn wijst de leerling er streng op. Over «ثُمَّ اسْتَوَى عَلَى العَرْشِ» schrijft hij: «لَوْ قَالَ قَائِلٌ: «عَلَى العَرْشُ» بِرَفْعِ العَرْشِ؟ خَطَأٌ، حَرْفُ الخَفْضِ يَجِبُ أَنْ يُخْفَضَ. لَوْ قَالَ: «عَلَى العَرْشَ» بِنَصْبِ العَرْشِ خَطَأٌ أَيْضاً؛ ... إِذَنْ نَقُولُ: «عَلَى العَرْشِ» بِجَرِّ العَرْشِ». «Op de troon» met een ḍamma is dus fout. Met een fatḥa is het ook fout. Het moet «عَلَى العَرْشِ» met een kasra zijn. Hetzelfde geldt voor «ذَهَبْتُ إِلَى المَدْرَسَةِ». Schrijf je «المَدْرَسَةُ» met een ḍamma, dan is de regel niet toegepast. Na een ḥarf jarr komt altijd de kasra, of het teken dat die vervangt. Nooit een ḍamma of fatḥa.

Fout 2: het voorzetsel zelf een naamval willen geven

fout:

مِنْ

'مِنْ is majrūr', het voorzetsel ontleden alsof het een naamwoord is: kan niet

goed:

حَرْفُ جَرٍّ

alleen benoemen als ḥarf jarr: mabnī, «لا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَابِ» (geen plaats in de ontleding)

Leerlingen schrijven soms 'مِنْ is majrūr'. Of ze ontleden het voorzetsel alsof het een naamwoord is. Dat kan niet. Het voorzetsel is mabnī. In de woorden van al-Taṭbīq al-Iʿrābī: «لا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَابِ», geen plaats in de ontleding. Je benoemt het alleen als ḥarf jarr. Het krijgt nooit rafʿ, naṣb, jarr of jazm. Alleen het naamwoord erna is majrūr.

Fout 3: de vaste klinker van het voorzetsel aanzien voor zijn naamval

مِنْ

de sukūn van مِنْ (en de kasra van de bāʾ بِـ): bināʾ-teken, verandert nooit, in welke zin het voorzetsel ook staat

الكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ

de kasra op het naamwoord erachter: iʿrāb-teken (jarr)

De kasra van de bāʾ (بِـ) en de sukūn van مِنْ zijn bināʾ-tekens, geen iʿrāb. Verwar het vaste bouwteken van de ḥarf dus niet met het jarr-teken van het naamwoord erachter.

Fout 4: de kasra vergeten uit te spreken of te schrijven. Juist die kasra laat zien dat het voorzetsel gewerkt heeft. Ibn ʿUthaymīn is er stellig over bij مِنْ. Je zegt «مِنَ البَصْرَةِ» (uit Baṣra) met een kasra op het naamwoord, «وَلا بُدَّ», en niet anders.

Fout 5: مِنْ (met sukūn) en مِنَ (met fatḥa) door elkaar halen

مِنْ

los: de nūn draagt een sukūn

مِنَ السَّمَاءِ

vóór het lidwoord ال: hulp-fatḥa op de nūn (iltiqāʾ al-sākinayn), geen naamval

Soms komt مِنْ vóór een woord met het lidwoord ال. Dan botsen twee letters zonder klinker: de nūn van مِنْ en de lām van ال. Om die botsing (iltiqāʾ al-sākinayn) op te lossen krijgt de nūn een hulp-fatḥa: مِنَ السَّمَاءِ. Dat is enkel een uitspraakhulp, geen naamval. Het beheerste naamwoord السَّمَاءِ blijft gewoon majrūr met een kasra.

Fout 6: een mabnī naamwoord verwarren met een gelijkend voorzetsel

مِنْ

voorzetsel (uit, vanaf): verlaagt altijd het naamwoord erna

مَنْ

mabnī naamwoord (wie, degene die): kan zelfs fāʿil of mafʿūl zijn

Het voorzetsel مِنْ en het naamwoord مَنْ lijken op elkaar. Toch is مَنْ een mabnī naamwoord dat zelfs fāʿil of mafʿūl kan zijn. مِنْ is altijd een voorzetsel dat een naamwoord verlaagt. Betekenis en context bepalen welke van de twee het is.

Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), حروف الخفض, p. 20 (مِنَ البصرةِ ولا بُدَّ), p. 23 (على العرش); al-Taṭbīq al-Iʿrābī, المجرور بالحرف, p. 393 (لا محل له من الإعراب); al-Naḥw al-Wāḍiḥ, dl. 1, p. 69–70; iltiqāʾ al-sākinayn = standaard-ṣarf-regel (curator-toelichting, zie notities)

Zo zeggen de boeken het

Citaat 1 komt uit de grondtekst van al-Ājurrūmiyya. al-Tuḥfa al-Saniyya citeert die (p. 154). Het gaat over het naamwoord dat door een letter verlaagd wordt. In vertaling: 'Het door een letter verlaagde naamwoord wordt verlaagd door deze letters. Dat zijn مِنْ, إِلَى, عَنْ, عَلَى, فِي, رُبَّ, de bāʾ, de kāf en de lām. Daarbij komen de eed-letters: de wāw, de bāʾ en de tāʾ.' De grondtekst noemt deze voorzetsels als de eerste van de drie oorzaken van jarr.

فَأَمَّا المَخْفُوضُ بِالحَرْفِ فَهُوَ: مَا يُخْفَضُ بِمِنْ، وَإِلَى، وَعَنْ، وَعَلَى، وَفِي، وَرُبَّ، وَالبَاءِ، وَالكَافِ، وَاللَّامِ، وَحُرُوفِ القَسَمِ، وَهِيَ: الوَاوُ، وَالبَاءُ، وَالتَّاءُ

al-Ājurrūmiyya via al-Tuḥfa al-Saniyya, باب المخفوضات من الأسماء, p. 154

Citaat 2: Ibn ʿUthaymīn legt uit wat een voorzetsel is en hoe we dat weten (Sharḥ al-Ājurrūmiyya, p. 20). In vertaling: 'Bedoeld zijn de letters die een naamwoord verlagen zodra ze ervoor komen. Verlagen betekent hier: majrūr maken. En hoe weten we dat? Uit het naspeuren en overzien van de spraak van de Arabieren.'

يَعْنِي: الحُرُوفَ الَّتِي إِذَا دَخَلَتْ عَلَى الاسْمِ خَفَضَتْهُ، يَعْنِي: جَرَّتْهُ. وَمِنْ أَيْنَ عَلِمْنَا أَنَّ هَذِهِ الحُرُوفَ إِذَا دَخَلَتْ عَلَى الاسْمِ جَرَّتْهُ؟ مِنَ التَّتَبُّعِ وَاسْتِقْرَاءِ كَلامِ العَرَبِ

Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), حروف الخفض, p. 20

Citaat 3: de schoolregel en het ontleedmodel uit al-Naḥw al-Wāḍiḥ (dl. 1). De regel staat in qāʿida 22 (p. 69), het model op p. 71. In vertaling: 'Het naamwoord wordt majrūr als één van deze voorzetsels ervoor staat. Dat zijn مِنْ, إِلَى, عَنْ, عَلَى, فِي, de bāʾ en de lām.' En het model: 'إِلَى: een voorzetsel. الوَطَن: een naamwoord, majrūr door إِلَى, met de zichtbare kasra op het einde als teken van zijn jarr.'

يُجَرُّ الاسْمُ إِذَا سَبَقَهُ حَرْفٌ مِنْ حُرُوفِ الجَرِّ الآتِيَةِ وَهِيَ: مِنْ، وَإِلَى، وَعَنْ، وَعَلَى، وَفِي، وَالبَاءِ، وَاللَّامِ

al-Naḥw al-Wāḍiḥ, dl. 1, qāʿida 22, p. 69

إِلَى: حَرْفُ جَرٍّ. الوَطَنِ: اسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ«إِلَى»، وَعَلامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ

al-Naḥw al-Wāḍiḥ, dl. 1, iʿrāb-model, p. 71

Citaat 4: hoe een volledige ontleding eruitziet. al-Taṭbīq al-Iʿrābī (p. 393) ontleedt de zin «كَتَبْتُ بِالقَلَمِ» (ik schreef met de pen). In vertaling: 'De bāʾ: een voorzetsel, vast gebouwd op de kasra, zonder plaats in de ontleding. القَلَم: een naamwoord, majrūr door de bāʾ, met de zichtbare kasra als teken.'

البَاءُ: حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى الكَسْرِ، لا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَابِ. القَلَمِ: اسْمٌ مَجْرُورٌ بِالبَاءِ، وَعَلامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ، وَالجَارُّ وَالمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالفِعْلِ كَتَبَ

al-Taṭbīq al-Iʿrābī, المجرور بالحرف, p. 393 (zin: كَتَبْتُ بِالقَلَمِ)

Citaat 5: waarom het voorzetsel zelf buiten de naamvallen valt, bij Ibn ʿUthaymīn (Sharḥ al-Ājurrūmiyya, p. 45). In vertaling: 'Het partikel valt er helemaal buiten. Het is nooit marfūʿ, manṣūb, makhfūḍ of majzūm, want het is mabnī. Ibn Mālik zei: en elke ḥarf verdient bināʾ.'

أَمَّا الحَرْفُ فَغَيْرُ دَاخِلٍ إِطْلاقاً؛ لا يَقَعُ مَرْفُوعاً، وَلا مَنْصُوباً، وَلا مَخْفُوضاً، وَلا مَجْزُوماً؛ لِأَنَّهُ مَبْنِيٌّ، قَالَ ابْنُ مَالِكٍ: وَكُلُّ حَرْفٍ مُسْتَحِقٌّ لِلْبِنَا

Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 45 (niet eerstehands her-geverifieerd; zie curator-notitie 1)

al-Ājurrūmiyya via al-Tuḥfa al-Saniyya, باب المخفوضات من الأسماء, p. 154; Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 20 en 45; al-Naḥw al-Wāḍiḥ, dl. 1, p. 69 en 71; al-Taṭbīq al-Iʿrābī, المجرور بالحرف, p. 393

Verdieping: alle zeven voorzetsels en hun betekenissen

De zeven voorzetsels: kernbetekenis en voorbeeld

Elk voorzetsel heeft een kernbetekenis (maʿnā). Die betekenis is de reden dat je het in een zin kiest. Hieronder staan de zeven voorzetsels. Elk heeft een voorbeeldzin in de tabel onder deze verdieping.

مِنْ: het beginpunt (ibtidāʾ al-ghāya), 'uit, vanaf'. Ibn ʿUthaymīn vat dit kort samen in het citaat direct onder deze verdieping. Hij laat het zien met de reiszin in de tabel. De reis begint in Mekka en eindigt in Medina. مِنْ en إِلَى markeren samen het begin- en eindpunt. Qurʾānische getuige uit al-Tuḥfa (p. 154): ﴿وَمِنْكَ وَمِنْ نُوحٍ﴾.

إِلَى: het eindpunt (intihāʾ al-ghāya), 'naar, tot'. Zie de tweede zin in de tabel. Qurʾānische getuige uit al-Tuḥfa (p. 154) en al-Taṭbīq (p. 394): de eerste Qurʾān-regel onder de tabel.

عَنْ: het weg-van, het voorbijgaan (mujāwaza), 'over, van … af'. Zie de derde zin in de tabel. Qurʾānische getuige uit al-Tuḥfa (p. 155): de tweede Qurʾān-regel onder de tabel.

عَلَى: 'op, boven' (istiʿlāʾ). Het ene ding bevindt zich op of boven het andere. Dat kan letterlijk of overdrachtelijk zijn. Zie de vierde zin in de tabel, al-Tuḥfa's eigen voorbeeld met عَلَى (p. 154). Daar is het overdrachtelijk gebruikt. Ibn ʿUthaymīn geeft dezelfde kern (p. 22–23). De betekenis van عَلَى is al-ʿuluww ('het erboven-zijn'), zoals in 'ik klom op het dak'. Hij haalt Ibn Mālik aan: عَلَى لِلاسْتِعْلا ('عَلَى is voor het istiʿlāʾ'). Qurʾānische getuige uit al-Tuḥfa (p. 155): de derde Qurʾān-regel onder de tabel.

فِي: 'in, binnen' (ẓarfiyya), de plaats of tijd waarbinnen iets gebeurt. Zie de vijfde zin in de tabel. Qurʾānische getuige uit al-Tuḥfa (p. 155): ﴿وَفِي السَّمَاءِ رِزْقُكُمْ﴾.

بِ: het middel (istiʿāna), 'met'. Het is het werktuig waarmee de handeling gebeurt. Ibn ʿUthaymīn (p. 25) zet twee soorten bāʾ naast elkaar: de oorzakelijke bāʾ (sababiyya) en deze bāʾ van middel. Elke bāʾ die bij een werktuig hoort, is een bāʾ van middel. Denk aan «كَتَبْتُ بِالقَلَمِ» (ik schreef met de pen) en «ضَرَبْتُ بِالعَصَا» (ik sloeg met de stok). Zie de zesde zin in de tabel. Die krijgt dezelfde ontleding als in de sectie 'Zo zeggen de boeken het' (al-Taṭbīq, p. 393).

لِ: de lām heeft volgens Ibn ʿUthaymīn (p. 26) veel betekenissen. Een daarvan is de milk (bezit, 'toebehoren aan'): «المَالُ لِزَيْدٍ» (het geld is van Zaid). In de trainer verschijnt de lām in zijn doelbetekenis (taʿlīl, 'voor, om te'). Het naamwoord noemt dan waarvoor de handeling gebeurt. Het Nederlands geeft beide betekenissen met 'voor' weer. Zie de zevende zin in de tabel.

De betekenis hangt af van de zin. Daarom wisselt ook de Nederlandse vertaalhulp in de trainer. مِنْ staat hier telkens voor 'uit', want het naamwoord is een plaats. Elders betekent مِنْ 'van(af)' of 'een deel van'. De vertaalhulp kiest het woord dat in die zin klopt, niet steeds dezelfde vertaling. al-Taṭbīq somt voor مِنْ alleen al meerdere betekenissen op. Op niveau 1 is de kernbetekenis genoeg.

يَقُولُ العُلَمَاءُ: «مِنْ» لِلابْتِدَاءِ، وَ«إِلَى» لِلانْتِهَاءِ

Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 21 (min = ibtidāʾ, ilā = intihāʾ)

De zeven kernbetekenissen, elk in een voorbeeldzin (bij de verdieping hierboven)

ZinDoelwoordFunctieModelantwoord
خَرَجْتُ مِنْ مَكَّةَ إِلَى المَدِينَةِمِنْḥarf jarr: beginpunt (ibtidāʾ al-ghāya), 'uit, vanaf'. Samen met إِلَى geeft het begin- en eindpunt van de reis aan (Ibn ʿUthaymīn, p. 21)حَرْفُ جَرٍّ
سَعَى الجَيْشُ إِلَى المَيْدَانِإِلَىḥarf jarr: eindpunt (intihāʾ al-ghāya), 'naar, tot'حَرْفُ جَرٍّ
يَذْهَبُ الخَوْفُ عَنِ الطِّفْلِعَنِḥarf jarr: weg-van, voorbijgaan (mujāwaza), 'over, van … af'حَرْفُ جَرٍّ
أَشْفَقْتُ عَلَى خَالِدٍعَلَىḥarf jarr: op-of-boven (istiʿlāʾ), 'op, boven'. al-Tuḥfa's eigen voorbeeld (p. 154), hier overdrachtelijk: 'ik was begaan met Khālid'حَرْفُ جَرٍّ
يَنْبَحُ الكَلْبُ فِي البُسْتَانِفِيḥarf jarr: 'in, binnen' (ẓarfiyya), de plaats of tijd waarbinnen iets gebeurtحَرْفُ جَرٍّ
كَتَبْتُ بِالقَلَمِبِḥarf jarr, de bāʾ (البَاءُ): middel (istiʿāna), 'met'. Zie ʿUthaymīn, p. 25; volledige ontleding in al-Taṭbīq, p. 393حَرْفُ جَرٍّ
المَالُ لِزَيْدٍلِḥarf jarr, de lām (اللَّامُ): hier de milk (bezit), 'van, voor'; ʿUthaymīn, p. 26 (in de trainer verschijnt de lām in de doelbetekenis, taʿlīl)حَرْفُ جَرٍّ

﴿إِلَى اللَّهِ مَرْجِعُكُمْ جَمِيعاً﴾

Qurʾānische getuige voor إِلَى: al-Tuḥfa (p. 154) en al-Taṭbīq (p. 394)

﴿رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُمْ وَرَضُوا عَنْهُ﴾

Qurʾānische getuige voor عَنْ: al-Tuḥfa (p. 155)

﴿وَعَلَيْهَا وَعَلَى الْفُلْكِ تُحْمَلُونَ﴾

Qurʾānische getuige voor عَلَى: al-Tuḥfa (p. 155)

Wat je mag weten, maar op niveau 1 niet hoeft uit te werken (aantal · bouwteken · mutaʿallaq · naamconventie)

Drie dingen zijn goed om te weten. Je hoeft ze op niveau 1 niet uit te werken.

Het eerste punt is de lijst zelf. Verschillende boeken tellen verschillende aantallen. Beginnersboeken leren er zeven: de vijf letters op de regel onder deze verdieping, plus de bāʾ en de lām. al-Ājurrūmiyya somt er negen op. Eerst de zes die als woord worden uitgesproken: de vijf losse voorzetsels plus رُبَّ. Daarna de drie voorzetsels van één letter, bij hun letternaam: de bāʾ, de kāf en de lām (Ibn ʿUthaymīn, p. 20 en 24). Met de drie eedletters erbij komt de telling op twaalf. De grote naḥw-werken tellen er tot twintig. Voor niveau 1 oefen je alle zeven kernletters. رُبَّ, de kāf en de eedletters volgen in latere fasen. Wie dit onderdeel beheerst, kent ze uiteindelijk allemaal.

Het tweede punt is het bouwteken (bināʾ). Voorzetsels zijn mabnī. Daarom hebben ze een bouwteken in plaats van een naamval. مِنْ، عَنْ، فِي staan op de sukūn. De bāʾ en de lām staan op de kasra. الكَاف en رُبَّ staan op de fatḥa. De trainer noemt de vijf woord-voorzetsels mabnī ʿalā al-sukūn. De aangehechte بِ en لِ noemt hij mabnī ʿalā al-kasr. Bij إِلَى en عَلَى is dat teken 'geschat' (muqaddar), want ze eindigen op een zwakke letter. Dat is een detail van de tekens-as, fase 6.

Het derde punt is het begrip mutaʿallaq. De woordgroep 'voorzetsel + naamwoord' (de jārr wa-l-majrūr) hoort grammaticaal ergens bij, meestal bij het werkwoord. al-Taṭbīq schrijft daarvoor telkens een vaste formule. Die staat als tweede regel onder deze verdieping. Ook de latere indeling in aṣlī (wezenlijk), zāʾid (toegevoegd) en shabīh bi-l-zāʾid komt pas in een latere fase. Op niveau 1 is de kern genoeg: een ḥarf jarr ervoor, dan het naamwoord erna in jarr, met de kasra als teken.

Tot slot een handige naamregel (Ibn ʿUthaymīn, p. 24). Een voorzetsel van één letter noem je bij zijn letternaam: «البَاءُ»، «اللَّامُ»، «الكَافُ». Een voorzetsel van twee of meer letters noem je bij zijn vorm. Dus «مِنْ» حَرْفُ جَرٍّ, en niet de losse letternamen. Zie het goed/fout-paar onder deze verdieping. In deze trainer zie je dat meteen terug. De aangehechte بِ en لِ heten in de ontleding البَاءُ en اللَّامُ, precies de letternaamvorm. Dat is prettig om te weten bij het hardop ontleden.

مِنْ، إِلَى، عَنْ، عَلَى، فِي

de vijf losse jarr-letters van de beginnersboeken. Samen met de bāʾ en de lām zijn dat er zeven

وَالجَارُّ وَالمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالفِعْلِ

al-Taṭbīqs vaste formule: de jārr en majrūr horen bij het werkwoord (mutaʿallaq)

De naamconventie bij het hardop ontleden (Ibn ʿUthaymīn, p. 24)

fout:

المِيمُ وَالنُّونُ حَرْفُ جَرٍّ

niet zo: een voorzetsel van twee of meer letters noem je niet bij de namen van zijn losse letters

goed:

«مِنْ» حَرْفُ جَرٍّ

wel zo: noem het voorzetsel bij zijn vorm

al-Tuḥfa al-Saniyya, p. 154–155 (maʿānī + shawāhid · أشفقت على خالد p. 154 · على = istiʿlāʾ p. 155); Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 21 (min = ibtidāʾ, ilā = intihāʾ · خرجت من مكة إلى المدينة), p. 22–23 (ʿalā = ʿuluww/istiʿlāʾ · Ibn Mālik: على للاستعلا), p. 24 (aantal-optelling · الميم والنون-conventie); al-Naḥw al-Wāḍiḥ, dl. 1, voetnoot p. 69 (aṣlī/zāʾid/shabīh + 20 letters); al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 394 (mutaʿallaq)

Bron

Waar dit onderdeel behandeld wordt

al-Ājurrūmiyya

باب حروف الجر

an-Naḥw al-Wāḍiḥ

an-Naḥw al-Wāḍiḥ I — hoofdstuk حروف الجر

In de boeken

Vindplaatsen in de eigen bibliotheek

al-Tuḥfa al-Saniyya bi-Sharḥ al-Muqaddima al-Ājurrūmiyya

p. 154–155

المخفوض بالحرف

Sharḥ al-Ājurrūmiyya

p. 20–27

حُرُوفُ الخفضِ

al-Khulāṣa al-Naḥwiyya fī Sharḥ al-Muqaddima al-Ājurrūmiyya

p. 356–361

باب المَخْفُوضَات مِنَ الأَسْمَاءِ

al-Naḥw al-Wāḍiḥ fī Qawāʿid al-Lugha al-ʿArabiyya

deel 1 · p. 68–72

جرّ الاسم

al-Taṭbīq al-Iʿrābī

p. 393–419

أقسام حروف الجر

Voorbeelden

kleur = naamval

De man zat in de moskee.

Volledige iʿrāb · mabnī

حَرْف جَرّ مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب

Volledige ontleding— toon per woord
  1. جَلَسَفِعْل مَاضٍ مَبْنِيّ عَلَى الفَتْح
  2. الرَّجُلُفَاعِل مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
  3. فِيحَرْف جَرّ مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
  4. الْمَسْجِدِاِسْم مَجْرُور وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ

De jongen dronk uit het water.

Volledige iʿrāb · mabnī

حَرْف جَرّ مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب

Volledige ontleding— toon per woord
  1. شَرِبَفِعْل مَاضٍ مَبْنِيّ عَلَى الفَتْح
  2. الْوَلَدُفَاعِل مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
  3. مِنْحَرْف جَرّ مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
  4. الْمَاءِاِسْم مَجْرُور وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ

De man las in de moskee.

Volledige iʿrāb · mabnī

حَرْف جَرّ مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب

Volledige ontleding— toon per woord
  1. قَرَأَفِعْل مَاضٍ مَبْنِيّ عَلَى الفَتْح
  2. الرَّجُلُفَاعِل مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
  3. فِيحَرْف جَرّ مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
  4. الْمَسْجِدِاِسْم مَجْرُور وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ

Voorbeelden uit de bronnen

kleur = naamval

Qurʾān 10:57

حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ

Vooruitblik De تاء in جَاءَتْكُمْ markeert het vrouwelijk (تاء التأنيث) en كُمْ is een gebonden voornaamwoord; de pronomen-ontleding wordt in fase 5 behandeld.

Volledige ontleding— toon per woord
  1. قَدْحَرْفُ تَحْقِيقٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
  2. جَآءَتْكُمفِعْلٌ مَاضٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ الظَّاهِرِ عَلَى آخِرِهِ، وَالتَّاءُ لِلتَّأْنِيثِ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ، وَالْكَافُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ نَصْبٍ مَفْعُولٌ بِهِ، وَالْمِيمُ عَلَامَةُ جَمْعِ الذُّكُورِ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
  3. مَّوْعِظَةٌۭفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
  4. مِّنحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
  5. رَّبِّكُمْاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ(مِنْ)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَالْكَافُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ، وَالْمِيمُ عَلَامَةُ جَمْعِ الذُّكُورِ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ

Op hen en op de schepen worden jullie vervoerd. — vert. Siregar

Qurʾān 23:22

الْوَاوُ حَرْفُ عَطْفٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. وَعَلَى: حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ

Vooruitblik هَا in وَعَلَيْهَا is een gebonden voornaamwoord en تُحْمَلُونَ is een passieve tegenwoordige tijd met een نائب فاعل; de pronomen-ontleding komt in fase 5, de lijdende vorm in fase 3 aan bod.

Volledige ontleding— toon per woord
  1. وَعَلَيْهَاالْوَاوُ حَرْفُ عَطْفٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. عَلَى: حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. الْهَاءُ: ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ بِحَرْفِ الْجَرِّ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالْفِعْلِ تُحْمَلُونَ
  2. وَعَلَىالْوَاوُ حَرْفُ عَطْفٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. وَعَلَى: حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
  3. ٱلْفُلْكِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ(عَلَى)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالْفِعْلِ تُحْمَلُونَ
  4. تُحْمَلُونَفِعْلٌ مُضَارِعٌ، مَبْنِيٌّ لِلْمَجْهُولِ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ ثُبُوتُ النُّونِ؛ لِأَنَّهُ مِنَ الْأَفْعَالِ الْخَمْسَةِ. وَالْوَاوُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ نَائِبُ فَاعِلٍ

Qurʾān 2:187

حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ

Vooruitblik أَتِمُّوا is een gebiedende wijs (فعل أمر) met een واو-voornaamwoord als فاعل; de amr-vormen komen verderop in de werkwoord-as van fase 1 aan bod, de pronomen-ontleding in fase 5.

Volledige ontleding— toon per woord
  1. ثُمَّحَرْفُ عَطْفٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
  2. أَتِمُّوا۟فِعْلُ أَمْرٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى حَذْفِ النُّونِ لِاتِّصَالِهِ بِوَاوِ الْجَمَاعَةِ، وَالْوَاوُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ، وَالْأَلِفُ لِلتَّفْرِيقِ حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
  3. ٱلصِّيَامَمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
  4. إِلَىحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
  5. ٱلَّيْلِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ(إِلَى)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالْفِعْلِ أَتِمُّوا

Lach niet te veel.

al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 1, p. 49

حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ

Vooruitblik De fāʿil van تُكْثِرْ is een verborgen voornaamwoord (تقديره أنت); de volledige verantwoording daarvan komt in de restant-fase van de werkwoord-as. Let op مِنَ: de fatḥa is er alleen omdat twee sukūns anders zouden botsen — het bināʾ-teken blijft sukūn.

Volledige ontleding— toon per woord
  1. لَاحَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
  2. تُكْثِرْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَا) النَّاهِيَةِ، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: أَنْتَ
  3. مِنَحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
  4. الضَّحِكِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ(مِنْ)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ

Een man is geduldiger dan een vrouw.

al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 186

حَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب، وَحُرِّكَتِ النُّونُ لِتَفَادِي الْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ

Vooruitblik Bijzonder hier: de mubtadaʾ (رجل) is onbepaald — dat mag omdat de zin een algemene uitspraak doet. Wanneer dat mag (ibtidāʾ bi-l-nakira) wordt in fase 3 behandeld.

Volledige ontleding— toon per woord
  1. رجلٌمُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
  2. أصبرُخَبَر مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
  3. مِنحَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب، وَحُرِّكَتِ النُّونُ لِتَفَادِي الْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ
  4. امرأةٍاِسْم مَجْرُور بِـ(مِنْ)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَالجَارُّ وَالمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالخَبَرِ أَصْبَرَ

Een zitting van kennis is beter dan een zitting van aanbidding.

al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 187

حَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب

Vooruitblik مجلس علم en مجلس عبادة zijn iḍāfa-constructies; de مضاف إليه-ontleding wordt in fase 6 behandeld.

Volledige ontleding— toon per woord
  1. مجلسُمُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَاف
  2. علمٍمُضَاف إِلَيْهِ مَجْرُور، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
  3. أفضلُخَبَر مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
  4. مِنحَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
  5. مجلسِاِسْم مَجْرُور بِـ(مِنْ)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَاف، وَالجَارُّ وَالمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالخَبَرِ أَفْضَلَ
  6. عبادةٍمُضَاف إِلَيْهِ مَجْرُور، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ

Inspanning op de weg van Allah is de edelste daad.

al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 188

حَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب

Vooruitblik سبيل الله en أكرم عمل zijn iḍāfa-constructies; de مضاف إليه-ontleding wordt in fase 6 behandeld.

Volledige ontleding— toon per woord
  1. جهادٌمُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
  2. فيحَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
  3. سبيلِاِسْم مَجْرُور بِـ(فِي)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَاف، وَالجَارُّ وَالمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالمَصْدَرِ (جِهَادٍ)
  4. اللهِلَفْظُ الجَلَالَةِ مُضَاف إِلَيْهِ مَجْرُور (عَلَى التَّعْظِيمِ)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
  5. أكرمُخَبَر مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَاف
  6. عملٍمُضَاف إِلَيْهِ مَجْرُور، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ

Elk renpaard struikelt weleens.

al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 189

اللَّامُ حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْكَسْرِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ

Vooruitblik Het khabar gaat hier als voorzetselgroep aan de mubtadaʾ vooraf en is zelf weggelaten (خَبَرٌ مُقَدَّمٌ مَحْذُوفٌ); de vooropplaatsing en weglating van het khabar worden in fase 3 behandeld.

Volledige ontleding— toon per woord
  1. لِكُلِّ
    اللَّامُاللَّامُ حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْكَسْرِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
    كُلِّاسْمٌ مَجْرُورٌ بِاللَّامِ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِخَبَرٍ مُقَدَّمٍ مَحْذُوفٍ
  2. جَوَادٍمُضَافٌ إِلَيْهِ مَجْرُورٌ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ
  3. كَبْوَةٌمُبْتَدَأٌ مُؤَخَّرٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ

Het is de plicht van de mens om de behoeftige te helpen.

al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 195

حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ

Vooruitblik أَنْ met de manṣūب-muḍāriʿ (يُسَاعِدَ) is niveau-3-stof en wordt hier geoefend. Alleen de omzetting van أَنْ يُسَاعِدَ tot één maṣdar muʾawwal (= مُسَاعَدَة, hier de khabar) volgt in fase 2 (de nawāsikh).

Volledige ontleding— toon per woord
  1. وَاجِبٌمُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
  2. عَلَىحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
  3. الْإِنْسَانِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ(عَلَى)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِنَعْتٍ مَحْذُوفٍ
  4. أَنْحَرْفُ مَصْدَرٍ وَنَصْبٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
  5. يُسَاعِدَفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(أَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ هُوَ، وَالْمَصْدَرُ الْمُؤَوَّلُ مِنْ (أَنْ يُسَاعِدَ) فِي مَحَلِّ رَفْعٍ خَبَرٌ
  6. الْمُحْتَاجَمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ

Reinheid is een deel van het geloof.

al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 199

حَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب

Vooruitblik Deze zin heeft geen los khabar-woord: de voorzetselgroep vervult die rol (khabar shibh-jumla, met een gedachte خبر محذوف). Dit khabar-type wordt in fase 3 behandeld.

Volledige ontleding— toon per woord
  1. النظافةُمُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
  2. منَحَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
  3. الإيمانِاِسْم مَجْرُور بِـ(مِنْ)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَالجَارُّ وَالمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِخَبَرٍ مَحْذُوفٍ، تَقْدِيرُهُ كَائِنَةٌ

Kennis zit in de harten, niet in de boekregels.

al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 203

حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ

Vooruitblik Beide voorzetselgroepen vervangen een weggelaten khabar (een eerste en een tweede); het meervoudige khabar en het khabar als voorzetselgroep worden in fase 3 behandeld.

Volledige ontleding— toon per woord
  1. الْعِلْمُمُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ
  2. فِيحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
  3. الصُّدُورِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ(فِي)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ. وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِخَبَرٍ أَوَّلَ مَحْذُوفٍ لِلْمُبْتَدَأِ (الْعِلْمُ)
  4. لَاحَرْفُ نَفْيٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
  5. فِيحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
  6. السُّطُورِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ(فِي)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ. وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِخَبَرٍ ثَانٍ مَحْذُوفٍ لِلْمُبْتَدَأِ الْعِلْمِ

Ik schreef met de pen.

al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 393

حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى الكَسْرِ، لا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَابِ

Vooruitblik De تاء in كَتَبْتُ is een gebonden voornaamwoord (de fāʿil); de pronomen-ontleding wordt in de maʿārif/pronomina-fase (fase 5) behandeld.

Volledige ontleding— toon per woord
  1. كَتَبْتُفِعْل مَاضٍ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لِاتِّصَالِهِ بِتَاءِ الفَاعِلِ المُتَحَرِّكَةِ، وَالتَّاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ
  2. بِالقَلَمِ
    البَاءُحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى الكَسْرِ، لا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَابِ
    القَلَمِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِالبَاءِ، وَعَلامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ، وَالجَارُّ وَالمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالفِعْلِ كَتَبَ

Ik las het boek in de avond.

al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 394

حَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب

Vooruitblik De تاء in قرأتُ is een gebonden voornaamwoord (de fāʿil); de pronomen-ontleding wordt in de maʿārif/pronomina-fase (fase 5) behandeld.

Volledige ontleding— toon per woord
  1. قرأتُفِعْل مَاضٍ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لِاتِّصَالِهِ بِتَاءِ الفَاعِلِ المُتَحَرِّكَةِ، وَالتَّاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ
  2. الكتابَمَفْعُول بِهِ مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
  3. فيحَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
  4. المساءِاِسْم مَجْرُور بِـ(فِي)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَالجَارُّ وَالمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالفِعْلِ قَرَأْتُ

Ik vertrok uit Mekka naar Medina.

al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 400

حَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب

Vooruitblik مكة krijgt fatḥa in plaats van kasra: het is ممنوع من الصرف (tekens-as, fase 6). De تاء-ontleding in خرجتُ hoort bij de pronomina-fase (fase 5).

Volledige ontleding— toon per woord
  1. خرجتُفِعْل مَاضٍ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لِاتِّصَالِهِ بِتَاءِ الفَاعِلِ المُتَحَرِّكَةِ، وَالتَّاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ
  2. مِنْحَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
  3. مكةَاِسْم مَجْرُور بِـ(مِنْ)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الفَتْحَة نِيَابَةً عَنِ الكَسْرَة؛ لِأَنَّهُ مَمْنُوعٌ مِنَ الصَّرْف؛ لِلْعَلَمِيَّةِ وَالتَّأْنِيثِ، وَالجَارُّ وَالمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالفِعْلِ خَرَجْتُ
  4. إلىحَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
  5. المدينةِاِسْم مَجْرُور، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَالجَارُّ وَالمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالفِعْلِ خَرَجْتُ

Ik wierp de pijl vanaf de boog.

al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 403

حَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب

Vooruitblik De تاء in رميتُ is een gebonden voornaamwoord (de fāʿil); de pronomen-ontleding wordt in de maʿārif/pronomina-fase (fase 5) behandeld.

Volledige ontleding— toon per woord
  1. رميتُفِعْل مَاضٍ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون؛ لِاتِّصَالِهِ بِتَاءِ الفَاعِلِ المُتَحَرِّكَةِ، وَالتَّاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ
  2. السهمَمَفْعُول بِهِ مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
  3. عَنِحَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
  4. القوسِاِسْم مَجْرُور بِـ(عَنْ)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَالجَارُّ وَالمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالفِعْلِ رَمَيْتُ

Een eervolle dood is beter dan een vernederend leven.

al-Taṭbīq al-Iʿrābī, pp. 186–187

حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ

Vooruitblik كَرِيمٌ en ذَلِيلَةٍ zijn bijvoeglijke bepalingen (naʿt) die hun naamwoord in naamval volgen; de tawābiʿ worden in fase 5 behandeld.

Volledige ontleding— toon per woord
  1. مَوْتٌمُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
  2. كَرِيمٌنَعْتٌ لِـ(مَوْتٍ)، مَرْفُوعٌ مِثْلُهُ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ
  3. خَيْرٌخَبَرٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
  4. مِنْحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
  5. حَيَاةٍاسْمٌ مَجْرُورٌ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
  6. ذَلِيلَةٍنَعْتٌ لِـ(حَيَاةٍ) مَجْرُورٌ مِثْلُهُ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالْخَبَرِ خَيْرٍ

Hij ging naar buiten met een boek in zijn hand.

al-Taṭbīq al-Iʿrābī, pp. 193–194

حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ

Vooruitblik De وَ is een wāw van toestand (حَالِيَّة) en كِتَابٌ فِي يَدِهِ is een ḥāl-zin; de ḥāl wordt in fase 4 behandeld.

Volledige ontleding— toon per woord
  1. خَرَجَفِعْلٌ مَاضٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ الظَّاهِرِ عَلَى آخِرِهِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ هُوَ
  2. وَحَالِيَّةٌ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
  3. كِتَابٌمُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ
  4. فِيحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
  5. يَدِهِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ(فِي)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِمَحْذُوفٍ خَبَرٍ، تَقْدِيرُهُ كَائِنٌ أَوْ مَوْجُودٌ

De islam heeft zijn mannen.

al-Taṭbīq al-Iʿrābī, pp. 204–205

اللَّامُ حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْكَسْرِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ

Vooruitblik Het khabar moet hier vooraan staan (het pronomen ـهُ in de mubtadaʾ verwijst ernaar terug); de verplichte khabar-vooropplaatsing wordt in fase 3 behandeld.

Volledige ontleding— toon per woord
  1. لِلْإِسْلَامِ
    اللَّامُاللَّامُ حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْكَسْرِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
    الْإِسْلَامِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِاللَّامِ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِخَبَرٍ مُقَدَّمٍ مَحْذُوفٍ
  2. رِجَالُهُمُبْتَدَأٌ مُؤَخَّرٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَالْهَاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ

Ik verlangde naar het werk.

al-Taṭbīq al-Iʿrābī, pp. 318–319

حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ

Vooruitblik De jārr+majrūr فِي الْعَمَلِ staat hier op de plaats van de مفعول به (في محل نصب); die maḥall-laag wordt in een latere fase behandeld. De تاء in رَغِبْتُ is een gebonden voornaamwoord (de fāʿil); de pronomen-ontleding komt in fase 5.

Volledige ontleding— toon per woord
  1. رَغِبْتُفِعْلٌ مَاضٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ لِاتِّصَالِهِ بِتَاءِ الْفَاعِلِ الْمُتَحَرِّكَةِ، وَالتَّاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ
  2. فِيحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
  3. الْعَمَلِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ (فِي)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالْفِعْلِ رَغِبْتُ، وَقَدْ وَقَعَ الْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ فِي مَحَلِّ نَصْبِ مَفْعُولٍ بِهِ
Pas toe wat je net hebt gelezen.