Partikels & operatoren
Jazm-partikel (ḥarf jazm)
mabnī · onveranderlijkWat houdt het in
De regel eerst, dan het waarom
Regel
Een jazm-partikel (لَمْ، لَا النَّاهِيَة) is mabnī en trekt het volgende fiʿl muḍāriʿ naar de jazm-naamval.
Waarom
Het fiʿl muḍāriʿ buigt; komt er een jazm-partikel vóór, dan verlaat het zijn rustpunt (rafʿ) en gaat het naar jazm — het teken wordt een sukūn. Regel eerst: لَمْ of لَا النَّاهِيَة ervoor ⇒ het werkwoord majzūm.
Onthouden
لَمْ، لَا … — onveranderlijk zelf, maar sturend: het werkwoord erna → sukūn (jazm).
De regel, volledig
Het onvoltooid werkwoord (fiʿl muḍāriʿ) heeft drie toestanden. Twee ken je al. Staat er niets voor, dan is het marfūʿ (niveau 2). Komt er een naṣb-partikel voor, zoals أَنْ of لَنْ, dan wordt het manṣūb (niveau 3). Dit niveau voegt de derde en laatste toestand toe: het jazm. al-Naḥw al-Wāḍiḥ bouwt de regel op uit voorbeelden. Kijk naar deze twee zinnen. Let op de laatste letter van het werkwoord.
لَمْ يُسَافِرْ فَرِيدٌ
'Farīd is niet op reis gegaan.' Na het partikel لَمْ eindigt het werkwoord يُسَافِرْ op een sukūn. De eindklinker is weg.
لَا تُسْرِعْ فِي السَّيْرِ
'Loop niet te hard.' Ook na het verbodspartikel لَا eindigt تُسْرِعْ op een sukūn.
Twee keer staat er een klein partikel voor het werkwoord, لَمْ of لَا. En twee keer verliest het werkwoord zijn eindklinker. Geen ḍamma (rafʿ) en geen fatḥa (naṣb), maar een sukūn. Zulke partikels heten de jawāzim, de jazm-gevers. al-Naḥw al-Wāḍiḥ zegt dat in twee schoolregels. De eerste luidt in vertaling: 'Het onvoltooid werkwoord wordt majzūm wanneer er een jazm-partikel aan voorafgaat, zoals de volgende partikels: لَمْ, de verbiedende لَا, en إِنْ.'
يُجْزَمُ الْفِعْلُ الْمُضَارِعُ إِذَا سَبَقَهُ حَرْفٌ جَازِمٌ كَالْحُرُوفِ الْآتِيَةِ، وَهِيَ: «لَمْ» وَ«لَا النَّاهِيَةُ»، وَ«إِنْ».
— al-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾī), dl. 1, p. 50 (القاعدة ١٤; deels kaal gedrukt, tashkīl redactioneel; het voetnootcijfer is weggelaten)
De tweede regel verdeelt het werk. In vertaling: 'لَمْ en de verbiedende لَا geven jazm aan één onvoltooid werkwoord. Het eerste partikel ontkent dat de handeling in het verleden gebeurde. Het tweede verbiedt de handeling.' Het derde partikel uit de regel, إِنْ, regeert twee werkwoorden tegelijk. Dat is een eigen familie, voor een later niveau. Jij begint met لَمْ en لَا.
«لَمْ»، وَ«لَا النَّاهِيَةُ» تَجْزِمَانِ فِعْلًا مُضَارِعًا وَاحِدًا. وَالْحَرْفُ الْأَوَّلُ يَنْفِي حُصُولَ الْفِعْلِ فِي الْمَاضِي، وَالثَّانِي يَنْهَى عَنْ عَمَلِ الْفِعْلِ.
— al-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾī), dl. 1, p. 50 (القاعدة ١٥; deels kaal gedrukt, tashkīl redactioneel)
Elk van je twee partikels heeft ook een eigen vaste ontleedformule. Die van لَمْ luidt in vertaling: 'een partikel van ontkenning, van jazm en van omkering'. De khulāṣa geeft precies de vorm die jij straks opzegt:
«لَمْ»: حَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ وَقَلْبٍ.
— al-Khulāṣa al-Naḥwiyya, جوازم المضارع, p. 123 (de الإعراب-sectie; byte-gelijk aan de engine-canon)
Bij het derde woord, qalb ('omkering'), hoort nog een korte uitleg. Ibn ʿUthaymīn legt dat heel duidelijk uit. Een muḍāriʿ betekent normaal 'nu of straks'. لَمْ keert die tijd om naar het verleden. In vertaling: 'لَمْ leverde dus drie dingen op: ontkenning, jazm en omkering. En als je wilt, zeg je: ontkenning, omkering en jazm.'
إِذَنْ؛ أَفَادَتْ «لَمْ» ثَلَاثَ فَوَائِدَ: «نَفْيٌ، وَجَزْمٌ، وَقَلْبٌ» وَإِنْ شِئْتَ قُلْ: نَفْيٌ، وَقَلْبٌ، وَجَزْمٌ.
— Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), جوازم المضارع, p. 192 (selectief gevocaliseerde druk, tashkīl redactioneel aangevuld)
De sharḥ legt dat omkeren zelf zo uit. In vertaling: 'omkering, omdat لَمْ het onvoltooid werkwoord van het heden naar het verleden omkeert':
«قَلْبٌ»؛ لِأَنَّهَا قَلَبَتِ الْفِعْلَ الْمُضَارِعَ مِنَ الْحَالِ إِلَى الْمَاضِي.
— Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 192 (selectief gevocaliseerde druk, tashkīl redactioneel aangevuld)
Voor لَا geeft hetzelfde boek de formule waarmee je dat partikel ontleedt. In vertaling: 'een partikel van verbod, van bede en van jazm'. Waarom er 'bede' bij staat, leer je in de volgende sectie:
«لا» حَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ.
— al-Khulāṣa al-Naḥwiyya, p. 126 (de الإعراب-sectie; de druk laat «لا» tussen aanhalingen onggevocaliseerd; as-printed; byte-gelijk aan de engine-canon)
Hoe ziet de volledige ontleding van het majzūm-werkwoord eruit? Zo, met het werkwoord uit de eerste zin hierboven:
يُسَافِرْ: فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِلَمْ وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
'Op reis gaan' (in «لَمْ يُسَافِرْ فَرِيدٌ») is een fiʿl muḍāriʿ. Het is majzūm door لَمْ. Het teken van zijn jazm is de zichtbare sukūn op het einde.
Nu ken je alle drie de toestanden van het werkwoord. Op niveau 2 was het werkwoord marfūʿ, want er stond niets voor. Die toestand heet tajarrud. Op niveau 3 kwam er een nāṣib voor het werkwoord: dat geeft naṣb, met een fatḥa. Op dit niveau komt er een jāzim voor: dat geeft jazm, met een sukūn. De vuistregel is net zo kort als op niveau 3. Staat er een jāzim voor? Dan jazm, met een sukūn.
— al-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾī), dl. 1, جزم الفعل المضارع, p. 49–52 (de الأمثلة + القاعدة ١٤/١٥ + het نموذج); al-Khulāṣa al-Naḥwiyya, p. 123 + p. 126 (de partikel-formules; de engine-canon B1/B2); Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 192 (de drie fawāʾid van لَمْ); didactische synthese (curator): de model-iʿrāb-display «مَجْزُومٌ بِلَمْ …» (engine-canoniek, geankerd in het نموذج van al-Naḥw al-Wāḍiḥ dl. 1 p. 52) en de tajarrud-driehoek (brug niveau 2/3)
Wat het wel is en wat niet: jazm tegenover rafʿ, en de drie soorten لَا
Ook hier helpt de proef die al-Naḥw al-Wāḍiḥ zelf voorstelt (البحث, p. 49). Haal het partikel weg en kijk wat er met het werkwoord gebeurt.
إِذَا تَأَمَّلْتَ آخِرَ كُلِّ مُضَارِعٍ مَسْبُوقٍ بِأَحَدِ هَذَيْنِ الْحَرْفَيْنِ فِي هَذِهِ الْأَمْثِلَةِ وَفِي غَيْرِهَا، وَجَدْتَهُ مَجْزُومًا، لَكِنَّكَ إِذَا حَذَفْتَ هَذَا الْحَرْفَ وَجَدْتَهُ مَرْفُوعًا.
— al-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾī), dl. 1, p. 49 (البحث; deels kaal gedrukt, tashkīl redactioneel)
Met het partikel ervoor krijg je jazm, een sukūn. Zonder partikel keert de rafʿ (ḍamma) van niveau 2 terug. Zet het naast elkaar:
Partikel weg, dan komt de rafʿ terug (de البحث-proef, nu met een jāzim)
لَمْ يُسَافِرْ فَرِيدٌ
Met de jāzim لَمْ ervoor is het werkwoord يُسَافِرْ majzūm: sukūn. (niveau 4)
يُسَافِرُ فَرِيدٌ
Haal لَمْ weg, dan is het werkwoord weer marfūʿ: يُسَافِرُ, met een zichtbare ḍamma. (niveau 2)
Dezelfde stam, twee tekens. De sukūn komt er alleen doordat لَمْ ervoor staat. Zo kwam op niveau 3 de fatḥa alleen door أَنْ of لَنْ.
Je twee partikels delen het jazm, maar zeggen iets anders. De qāʿida verdeelde het al. لَمْ ontkent iets in het verleden. لَا verbiedt iets voor de toekomst.
لَمْ tegenover لَا: zelfde teken, andere boodschap
لَمْ يَحْضُرْ عَلِيٌّ
لَمْ + muḍāriʿ = 'ʿAlī is niet gekomen': een ontkenning van het verleden (nafy, met tijdsomkering: qalb).
لَا تُسْرِعْ
لَا + muḍāriʿ = 'loop niet te hard': een verbod aan de aangesprokene (nahy).
Allebei geven ze jazm (sukūn). Het verschil zit in de betekenis. Daarom staan in de formule van لَمْ de woorden نَفْيٍ en قَلْبٍ, en in die van لَا het woord نَهْيٍ.
Let nu op de valkuil die elke leerling een keer tegenkomt. Niet elke لا is de verbiedende لا. Ibn ʿUthaymīn zet ze naast elkaar met een minimaal paar:
لَا النَّاهِيَة tegenover لَا النَّافِيَة (het minimale paar van ʿUthaymīn)
لَا تَقُمْ
لَا النَّاهِيَة, een verbod: 'sta niet op'. Dat partikel regeert het werkwoord: تَقُمْ is majzūm (sukūn).
هِنْدٌ لَا تَقُومُ
لَا النَّافِيَة, een mededeling: 'Hind staat niet op'. Dat partikel regeert niets: تَقُومُ blijft marfūʿ (ḍamma).
Controlevraag: verbiedt dit iets, of vertelt het alleen dat iets niet gebeurt? Alleen de verbiedende لا geeft jazm. De vertellende لا laat het werkwoord ongemoeid.
وَ«لَا» النَّافِيَةُ لَا تُغَيِّرُ فِي الْفِعْلِ شَيْئًا.
— Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), جوازم المضارع, p. 197 (selectief gevocaliseerde druk, tashkīl redactioneel aangevuld)
Binnen de verbodsfamilie leert het boek je nog één onderscheid. Het hoort bij de hoofdlijn van dit niveau, want je komt het in de oefenvragen tegen. Hetzelfde partikel heet anders, afhankelijk van de richting van het spreken. In vertaling (khulāṣa): 'Het verschil is dit: het verbod (nahy) gaat van de hogere naar de lagere. De bede (duʿāʾ) gaat juist van de lagere naar de hogere.'
وَالْفَرْقُ بَيْنَهُمَا أَنَّ النَّهْيَ يَكُونُ مِنَ الْأَعْلَى لِلْأَدْنَى، وَأَمَّا الدُّعَاءُ فَيَكُونُ مِنَ الْأَدْنَى لِلْأَعْلَى.
— al-Khulāṣa al-Naḥwiyya, p. 126
Dezelfde لَا, twee richtingen: het boekpaar van de khulāṣa
﴿لَا تَخَفْ﴾
Het nahy-voorbeeld van de khulāṣa (Ṭā-Hā 20:68): Allah spreekt tot Mūsā, van hoog naar laag, dus لَا النَّاهِيَة. Het werkwoord تَخَفْ is majzūm: sukūn.
﴿رَبَّنَا لَا تُزِغْ قُلُوبَنَا﴾
Het duʿāʾ-voorbeeld van de khulāṣa (Āl ʿImrān 3:8): de gelovigen smeken hun Heer, van laag naar hoog. Dezelfde لا heet hier daarom لَا الدُّعَاء. Het werkwoord تُزِغْ is net zo majzūm: sukūn.
De grammatica verandert niet, jazm blijft jazm. Alleen het etiket in je ontleding verschilt. Richting Allah zeg je nooit 'verbod' maar 'bede'.
Waarom dat etiket ertoe doet, zegt Ibn ʿUthaymīn in één zin. In vertaling: 'Allah gebiedt, en wordt niet geboden':
اللَّهُ يَأْمُرُ وَلَا يُؤْمَرُ.
— Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 194 (bij de lām van het gebed; hetzelfde richtingsprincipe; selectief gevocaliseerde druk, tashkīl redactioneel aangevuld)
Onthoud dus de drie soorten لَا. لَا النَّاهِيَة is het verbod, van hoog naar laag: jazm. لَا الدُّعَاء is de bede, van laag naar hoog: ook jazm (ʿUthaymīn noemt die ook wel لَا دُعَائِيَّة). En لَا النَّافِيَة is de ontkenning: die verandert niets aan het werkwoord. De eerste twee ontleed je hetzelfde, alleen het etiket wisselt. De derde herken je doordat het werkwoord gewoon marfūʿ blijft.
Tot slot: de boeken benoemen deze لَا op twee manieren, en beide zijn juist. De khulāṣa geeft het partikel één vaste formule. Dat is de drieledige uit de eerste sectie, met نَهْيٍ, دُعَاءٍ en جَزْمٍ erin. Die formule dekt beide gebruiken tegelijk. Het boek gebruikt die formule zelf ook bij een smeekbede-āyah (p. 126). Ibn ʿUthaymīn benoemt liever per zin de functie van لَا. Richting Allah schrijft hij kortweg «حَرْفُ دُعَاءٍ» (p. 196). Zeg je bij een smeekbede-āyah de vaste formule of juist het bede-etiket, dan rekent de trainer beide goed. Het modelantwoord toont per bronvoorbeeld de vorm die het eigen boek afdrukt.
— al-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾī), dl. 1, p. 49–50 (البحث + de tamrīn-zinnen); Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 197 (het minimale paar لَا تَقُمْ ↔ هِنْدٌ لَا تَقُومُ + de nāfiya-regel) + p. 196 (het دُعَائِيَّة-etiket) + p. 194 (اللَّهُ يَأْمُرُ وَلَا يُؤْمَر); al-Khulāṣa al-Naḥwiyya, p. 126 (het nahy↔duʿāʾ-richtingskader + het Qurʾān-paar Ṭā-Hā 20:68 / Āl ʿImrān 3:8, zoals de khulāṣa ze drukt); didactische synthese (curator): de weglaat-tegenhanger يُسَافِرُ فَرِيدٌ en de ingekorte tamrīn-zin لَمْ يَحْضُرْ عَلِيٌّ (al-Naḥw al-Wāḍiḥ, dl. 1, p. 50, item ٢), plus de slot-alinea over de twee benoem-stijlen (khulāṣa p. 126: één vaste formule, zelf toegepast op haar smeekbede-vers; ʿUthaymīn p. 196: functie-etiket per zin). Bij het opzeggen op een smeekbede-vers tellen beide boekvormen goed
Veelgemaakte fouten
De klassieke fouten draaien allemaal om hetzelfde: het werkwoord na een jāzim toch een klinker geven. Ibn ʿUthaymīn laat dat zien met dezelfde zin in drie vormen. Eén vorm is goed, twee zijn fout.
Fout 1: de ḍamma laten staan na لَا
fout:
لَا تَضْرِبُ وَلَدَكَ الْمُؤَدَّبَ
Na de verbiedende لَا staat hier toch een ḍamma. Ibn ʿUthaymīn noemt dit «خَطَأٌ»: je laat rafʿ staan waar لَا jazm afdwingt.
goed:
لَا تَضْرِبْ وَلَدَكَ الْمُؤَدَّبَ
Goed: sukūn. 'Sla je welgemanierde zoon niet.' Het werkwoord is majzūm.
Zodra je een jāzim herkent, weet je: het volgende onvoltooide werkwoord eindigt op een sukūn, niet op een ḍamma.
Fout 2: een fatḥa geven na لَا (het is geen nāṣib)
fout:
لَا تَضْرِبَ وَلَدَكَ
Na لَا staat hier een fatḥa, de fatḥa die je op niveau 3 leerde. Ook dit noemt de sharḥ «خَطَأٌ»: لَا hoort niet bij de nawāṣib.
goed:
لَا تَضْرِبْ وَلَدَكَ
Goed: لَا is een jāzim, dus een sukūn en geen fatḥa.
Houd de families uit elkaar. أَنْ en لَنْ (niveau 3) geven fatḥa. لَمْ en لَا (dit niveau) geven sukūn.
De motivering van de sharḥ is de regel zelf. In vertaling: 'want لَا is verbiedend, en wanneer de verbiedende لَا bij het werkwoord komt, is het jazm verplicht':
لِأَنَّ «لَا» نَاهِيَةٌ وَإِذَا دَخَلَتْ «لَا» النَّاهِيَةُ عَلَى الْفِعْلِ، وَجَبَ الْجَزْمُ.
— Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 196 (de motivering onder het drietal; selectief gevocaliseerde druk, tashkīl redactioneel aangevuld)
Dezelfde rafʿ-fout komt ook voor na لَمْ. En hier speelt nog iets: bij dit werkwoord verdwijnt ook de lange klinker.
Fout 3: rafʿ en wāw laten staan na لَمْ
fout:
لَمْ يَقُومُ زَيْدٌ
Na لَمْ blijft hier alles staan: de ḍamma en de lange wāw. De sharḥ: «خَطَأٌ».
goed:
لَمْ يَقُمْ زَيْدٌ
Goed: يَقُمْ is majzūm, met een sukūn als teken, en de wāw valt weg ('Zayd is niet opgestaan').
Waarom die wāw verdwijnt (twee rustende letters kunnen niet naast elkaar bestaan) hoort bij de zwakke werkwoorden, een latere fase. Voor nu volstaat: na لَمْ nooit een ḍamma.
Eén ding lijkt een fout, maar is het niet: soms zie je na een jāzim een kasra in plaats van een sukūn.
De hulp-kasra is uitspraak, geen teken
لَمْ يَضْرِبْ
Voor een pauze of een gewone beginletter staat de jazm-sukūn er gewoon.
لَمْ يَضْرِبِ الرَّجُلُ
Komt er een woord achter dat met een hamzat waṣl begint (الرَّجُلُ), dan kan de sukūn niet blijven staan. Aan de oppervlakte verschijnt een hulp-kasra: يَضْرِبِ.
Het teken blijft de sukūn. De kasra is alleen uitspraakhulp. Waarom dat zo is, en hoe de boeken dit in de ontleding zeggen, lees je in de verdieping.
— Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 196 (het drietal لَا تَضْرِبْ / تَضْرِبُ / تَضْرِبَ + de motivering وَجَبَ الْجَزْمُ) + p. 197 (لَمْ يَقُومُ → لَمْ يَقُمْ) + p. 191–192 (het loopvoorbeeld لَمْ يَضْرِبِ الرَّجُلُ; de hulp-kasra scan-bevestigd); didactische synthese (curator): de nāṣib↔jāzim-verwarringsnota (brug niveau 3) en de duiding van de hulp-kasra als oppervlak (de volledige clausule volgt in de verdieping)
Zo zeggen de boeken het
Vijf boeken beschrijven hetzelfde systeem. Ze verschillen alleen in de manier van tellen. We beginnen bij de matn van al-Ājurrūmiyya. Die somt alle jazm-gevers op. In vertaling: 'De jawāzim zijn er achttien. Het zijn لَمْ, لَمَّا, أَلَمْ en أَلَمَّا. Verder de lām van het gebod en het gebed, en لَا in het verbod en het gebed. Dan إِنْ, مَا, مَنْ, مَهْمَا, إِذْمَا en أَيّ. En ten slotte مَتَى, أَيَّانَ, أَيْنَ, أَنَّى, حَيْثُمَا, كَيْفَمَا en إِذَا, in de poëzie in het bijzonder.'
وَالْجَوَازِمُ ثَمَانِيَةَ عَشَرَ وَهِيَ: لَمْ، وَلَمَّا، وَأَلَمْ، وَأَلَمَّا، وَلَامُ الْأَمْرِ وَالدُّعَاءِ، وَ«لَا» فِي النَّهْيِ وَالدُّعَاءِ، وَإِنْ وَمَا وَمَنْ وَمَهْمَا، وَإِذْمَا، وَأَيّ وَمَتَى، وَأَيَّانَ وَأَيْنَ، وَأَنَّى، وَحَيْثُمَا، وَكَيْفَمَا، وَإِذَا فِي الشِّعْرِ خَاصَّةً.
— al-Ājurrūmiyya (matn), afgedrukt in al-Khulāṣa al-Naḥwiyya, جوازم المضارع, p. 123; mét وَمَنْ, door de eigenaar tegen een tweede matn-editie bevestigd (2026-07-10); onze al-Tuḥfa-druk (p. 70) laat وَمَنْ juist weg; drukfout/recensie-variant, want de Tuḥfa-sharḥ telt مَنْ zelf gewoon mee (p. 71)
Het zijn er dus achttien. Maar de boeken delen die achttien anders in. al-Tuḥfa bundelt de eerste groep tot zes letters. Dat zijn de partikels die één werkwoord regeren. In vertaling: 'De eerste groep telt zes letters. Dat zijn لَمْ, لَمَّا, أَلَمْ en أَلَمَّا, en de lām van het gebod en het gebed, en لَا in het verbod en het gebed. Ze zijn allemaal partikels, met instemming van de grammatici.'
أَمَّا الْقِسْمُ الْأَوَّلُ، فَسِتَّةُ أَحْرُفٍ، وَهِيَ: لَمْ، وَلَمَّا، وَأَلَمْ، وَأَلَمَّا، وَلَامُ الْأَمْرِ وَالدُّعَاءِ، وَ«لَا» فِي النَّهْيِ وَالدُّعَاءِ، وَكُلُّهَا حُرُوفٌ بِإِجْمَاعِ النُّحَاةِ.
— al-Tuḥfa al-Saniyya, جوازم المضارع, p. 70 (deels kaal gedrukt, tashkīl redactioneel)
Ibn ʿUthaymīn telt exact dezelfde groep, maar splitst die per functie. De gebods-lām en de bede-lām staan apart, en de twee gebruiken van لَا staan apart. Zo komt hij op acht. In vertaling: 'Sommige van deze partikels geven jazm aan één werkwoord. Dat zijn لَمْ, لَمَّا, أَلَمْ en أَلَمَّا, de lām van het gebod en van het gebed, en لَا in het verbod en in het gebed. Dat zijn er acht die een enkel werkwoord regeren. Van de achttien blijven er tien over, die twee werkwoorden regeren.'
هَذِهِ الْحُرُوفُ مِنْهَا مَا تَجْزِمُ فِعْلًا وَاحِدًا، وَهِيَ: لَمْ، لَمَّا، أَلَمْ، أَلَمَّا، لَامُ الْأَمْرِ، وَالدُّعَاءِ، وَلَا فِي النَّهْيِ، وَالدُّعَاءِ. هَذِهِ ثَمَانِيَةٌ تَجْزِمُ فِعْلًا وَاحِدًا، وَيَبْقَى مِنَ الثَّمَانِيَةَ عَشَرَ عَشَرَةٌ، تَجْزِمُ فِعْلَيْنِ.
— Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), جوازم المضارع, p. 191 (selectief gevocaliseerde druk, tashkīl redactioneel aangevuld)
Het schoolboek al-Naḥw al-Wāḍiḥ houdt het voor beginners bewust klein. Zijn voetnoot noemt vier jāzims die elk een werkwoord regeren. De qāʿida zelf leert er daarvan maar twee, plus إِنْ als jāzim voor twee werkwoorden. In vertaling: 'een groep die één werkwoord jazm geeft, namelijk: لَمْ, لَمَّا, de gebods-lām en de verbiedende لَا.'
قِسْمٌ يَجْزِمُ فِعْلًا وَاحِدًا: وَهِيَ: لَمْ، وَلَمَّا، وَلَامُ الْأَمْرِ، وَلَا النَّاهِيَةُ.
— al-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾī), dl. 1, p. 50, الحاشية (naar «الدروس النحوية» ٤/٣٧٥; vrijwel kaal gedrukt, tashkīl redactioneel)
Het toepassingsboek al-Taṭbīq al-Iʿrābī geeft ten slotte de kant-en-klare ontleedcel voor لَا, bij de āyah Āl ʿImrān 3:28. Je vindt het als bronvoorbeeld bij dit concept. In vertaling: 'verbiedend en jazm-gevend, een partikel, vast gebouwd op de sukūn, zonder plaats in de ontleding.'
لَا: نَاهِيَةٌ جَازِمَةٌ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ.
— al-Taṭbīq al-Iʿrābī, «٤ - لا الناهية», p. 86 (kaal gedrukt, tashkīl redactioneel)
De telling-khilāf: zes, acht of vier?
De drie boeken delen dezelfde stof anders in, en toch spreken ze elkaar niet tegen. al-Tuḥfa en de khulāṣa tellen per letter. De lām telt als één partikel met twee gebruiken (gebod en gebed). Datzelfde geldt voor لَا (verbod en bede). Dat maakt zes. Ibn ʿUthaymīn telt per functie en komt zo op acht. En al-Naḥw al-Wāḍiḥ kiest als schoolboek een reeks van vier, zonder de vraagvormen. Precies hetzelfde zag je op niveau 3: tien nawāṣib in de matn, vier bij al-Naḥw al-Wāḍiḥ. Voor jouw twee partikels maakt het niets uit. لَمْ en لَا staan in elke telling, en jij begint bij die twee.
Mannelijk of vrouwelijk: de sukūn en het woord 'zichtbaar'
In de werkwoordformule zeggen de boeken het teken op twee manieren. al-Taṭbīq schrijft in zijn hoofdstukken de mannelijke vorm «السُّكُون الظَّاهِر», die past bij het woord sukūn zelf. al-Naḥw al-Wāḍiḥ schrijft in zijn نموذج driemaal de vrouwelijke vorm «السُّكُون الظَّاهِرَة», die past bij ʿalāma, 'het teken'. Wij volgen de vrouwelijke vorm (dl. 1, p. 52). Dat is net zoals je الضَّمَّة en الْفَتْحَة op de vorige niveaus al ontleedde. Kom je in een boekvoorbeeld de mannelijke vorm tegen, dan is dat geen fout maar de huisstijl van dat boek.
— al-Ājurrūmiyya (matn), afgedrukt in al-Khulāṣa al-Naḥwiyya, p. 123; al-Tuḥfa al-Saniyya, p. 70; Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 191; al-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾī), dl. 1, p. 50 (voetnoot) + p. 52 (نموذج; de genus-vindplaats); al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 84 + p. 86; didactische synthese (curator): de khilāf-verzoening (zes-vs-acht-vs-vier) en de genus-duiding (eigenaars-boekcheck B4, 2026-07-10)
Verdieping: achttien jawāzim, de hulp-kasra voluit, en wat later komt
Wat je hier leert, is opnieuw een begin: لَمْ en لَا geven het onvoltooid werkwoord jazm. Hieronder gaan we dieper. Je krijgt de volledige verantwoording van de hulp-kasra, de bede-lām die nog komt, en de rest van de achttien.
Eerst kijken we naar de hulp-kasra. In de foutensectie zag je het verschijnsel al. De boeken verklaren het ook, letterlijk. De jazm-sukūn botst soms op de stille beginletter van het volgende woord. Dat is een hamzat waṣl, zoals in الرَّجُلُ. Dan staan er twee rustende letters naast elkaar, en dat kun je in het Arabisch niet uitspreken. al-Naḥw al-Wāḍiḥ lost dat in zijn eigen نموذج zo op. In vertaling: 'en hij kreeg een kasra, om het samenkomen van de twee rustende letters te voorkomen':
وَحُرِّكَ بِالْكَسْرِ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ.
— al-Naḥw al-Wāḍiḥ, dl. 2, p. 185 (het نموذج bij لَمْ تُذْنِبِ الْبِنْتُ; deels kaal gedrukt, tashkīl redactioneel)
al-Taṭbīq al-Iʿrābī heeft er zelfs een vaste formule voor. Die zie je in de bronvoorbeelden bij dit concept letterlijk terug. Hier bij Āl ʿImrān 3:28:
يَتَّخِذِ: فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ (لَا)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ، حُرِّكَ بِالْكَسْرِ؛ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ.
— al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 86 (de يَتَّخِذِ-rij bij Āl ʿImrān 3:28; kaal gedrukt, tashkīl redactioneel)
Let op wat hier staat. Het teken blijft de sukūn. De clausule erachter verklaart alleen waarom je een kasra hoort. In het model-iʿrāb van dit niveau zie je die clausule telkens staan wanneer er een botsing is, zoals in de tabel hieronder. Zelf meezeggen mag nu al. Die clausule komt pas in de tekensfase aan bod.
De bede-lām: dezelfde richtingsregel, later niveau
In de matn-lijst zag je ook de lām van het gebod en het gebed staan. Dat is net zo goed een jāzim. Voor die lām geldt straks dezelfde regel over richting die je hierboven leerde. Van hoog naar laag noem je die lām al-amr (gebods-lām). Richting Allah noem je die lām al-duʿāʾ (bede-lām), want Allah gebiedt en wordt niet geboden (ʿUthaymīn, p. 194). Deze lām leer je op een later niveau, met beide etiketten.
De andere zestien jawāzim
Achttien jazm-gevers telt de matn. Jij begint met لَمْ en لَا. De andere zestien komen daarna aan bod. Eerst لَمَّا ('nog niet', als لَمْ maar met verwachting) en de vraagvormen أَلَمْ en أَلَمَّا. Dan de gebods-lām en de bede-lām. En dan de grote familie van twaalf voorwaardewoorden (إِنْ, مَنْ, مَا, مَتَى en meer). Die familie geeft niet één maar twee werkwoorden jazm: het voorwaardewerkwoord en zijn antwoord. Dat tweede werkwoord komt er op een volgend niveau bij.
Kijk nog even vooruit. Er komt een derde bron van jazm aan. لَمْ en لَا regeren elk maar één werkwoord. Maar er bestaat een voorwaardepartikel dat twee werkwoorden tegelijk jazm geeft: het voorwaardewerkwoord (فعل الشرط) en zijn antwoord (جواب الشرط), met het partikel إِنْ ervoor. Dat is een eigen niveau. Je leert het bij het concept ḥarf sharṭ (niveau 5).
Het volledige model zeg je bij beheersing (itqān) uit je hoofd op. Zo ziet het eruit. Twee zinnen, woord voor woord. Let bij de tweede op de botsing:
Het volledige model-iʿrāb bij itqān: «لَمْ يُسَافِرْ فَرِيدٌ» en «لَا يَكْتُبِ الْوَلَدُ»
| Zin | Doelwoord | Functie | Modelantwoord |
|---|---|---|---|
| لَمْ يُسَافِرْ فَرِيدٌ | لَمْ | jazm-partikel (ḥarf jazm), dat het werkwoord erna regeert | حَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ وَقَلْبٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ |
| لَمْ يُسَافِرْ فَرِيدٌ | يُسَافِرْ | onvoltooid werkwoord (fiʿl muḍāriʿ), majzūm door لَمْ. Dit is het boekvoorbeeld van al-Naḥw al-Wāḍiḥ p. 52 | فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِلَمْ وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ |
| لَمْ يُسَافِرْ فَرِيدٌ | فَرِيدٌ | de verrichter (fāʿil), ook marfūʿ. Dat ken je al van niveau 1 | فَاعِلٌ مَرْفُوعٌ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ |
| لَا يَكْتُبِ الْوَلَدُ | لَا | jazm-partikel (ḥarf jazm), de nahy-variant, hier als indirect verbod ('laat de jongen niet schrijven') | حَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ |
| لَا يَكْتُبِ الْوَلَدُ | يَكْتُبِ | onvoltooid werkwoord, majzūm door لَا, met de botsing: sukūn vóór hamzat waṣl, dus een hulp-kasra | فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِلَا النَّاهِيَةِ وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ، حُرِّكَ بِالْكَسْرِ؛ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ |
Twee vragen per jazm-zin, twee antwoorden. Ten eerste: welk partikel regeert (لَمْ of لَا). Ten tweede: welk teken krijgt het werkwoord (de sukūn, bij een botsing uitgesproken als hulp-kasra). Het laatste lid وَقَلْبٍ van de لَمْ-formule mag je bij het opzeggen weglaten. ʿUthaymīn staat ook de volgorde met قَلْب vóór جَزْم uitdrukkelijk toe. De لَا-formule zeg je juist voluit, met alle drie de leden.
— al-Naḥw al-Wāḍiḥ, dl. 2, p. 185 (de kasra-clausule in het نموذج); al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 86 (de staande clausule-huisstijl; getoond op dit niveau, getoetst in de tekens-fase); Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 194 (lām al-amr / lām al-duʿāʾ); al-Ājurrūmiyya (matn), afgedrukt in al-Khulāṣa al-Naḥwiyya, p. 123 (de achttien); didactische synthese (curator): het volledige model-iʿrāb «لَمْ يُسَافِرْ فَرِيدٌ» (naar het نموذج van al-Naḥw al-Wāḍiḥ dl. 1 p. 52, engine-canoniek uitgeschreven) en «لَا يَكْتُبِ الْوَلَدُ» + de subset-framing (achttien jawāzim, begin met لَمْ en لَا)
Bron
Waar dit onderdeel behandeld wordt
al-Ājurrūmiyya
باب الأفعال — «وَالْجَوَازِمُ ثَمَانِيَةَ عَشَرَ، وَهِيَ: لَمْ، وَلَمَّا …»
an-Naḥw al-Wāḍiḥ
an-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾī) dl. 1 — جزم الفعل المضارع
In de boeken
Vindplaatsen in de eigen bibliotheek
al-Tuḥfa al-Saniyya bi-Sharḥ al-Muqaddima al-Ājurrūmiyya
p. 70–74جوازم الفعل المضارع
Sharḥ al-Ājurrūmiyya
p. 191–200جوازم المضارع
al-Khulāṣa al-Naḥwiyya fī Sharḥ al-Muqaddima al-Ājurrūmiyya
p. 123–138جوازم المضارع
al-Naḥw al-Wāḍiḥ fī Qawāʿid al-Lugha al-ʿArabiyya
deel 1 · p. 49–53جزم الفعل المضارع
al-Naḥw al-Wāḍiḥ fī Qawāʿid al-Lugha al-ʿArabiyya
deel 2 · p. 185–188جوازم الفعل المضارع
al-Taṭbīq al-Iʿrābī
p. 83–88جوازم الفعل المضارع
Voorbeelden
„Laat de jongen niet lezen.”
Volledige iʿrāb · mabnī
حَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
Volledige ontleding— toon per woord
- لَاحَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
- يَقْرَأِفِعْل مُضَارِع مَجْزُوم بِلَا النَّاهِيَةِ وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُون، حُرِّكَ بِالْكَسْرِ؛ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ
- الْوَلَدُفَاعِل مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„De man heeft niet gedronken.”
Volledige iʿrāb · mabnī
حَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ وَقَلْبٍ مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
Volledige ontleding— toon per woord
- لَمْحَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ وَقَلْبٍ مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
- يَشْرَبِفِعْل مُضَارِع مَجْزُوم بِلَمْ وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُون، حُرِّكَ بِالْكَسْرِ؛ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ
- الرَّجُلُفَاعِل مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„Laat de man niet lezen.”
Volledige iʿrāb · mabnī
حَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
Volledige ontleding— toon per woord
- لَاحَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
- يَقْرَأِفِعْل مُضَارِع مَجْزُوم بِلَا النَّاهِيَةِ وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُون، حُرِّكَ بِالْكَسْرِ؛ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ
- الرَّجُلُفَاعِل مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Voorbeelden uit de bronnen
„Hij heeft niet verwekt en is niet verwekt.” — vert. Siregar
Qurʾān 112:3
حَرْفُ نَفْيٍ وَقَلْبٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
Vooruitblik — يُولَدْ is een lijdende vorm (مبني للمجهول) met een نائب الفاعل; de nāʾib al-fāʿil komt in fase 3 (restant-marfūʿāt) aan bod, de verborgen fāʿil in de restant-fase van de werkwoord-as, en de عطف-wāw in fase 5.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَمْحَرْفُ نَفْيٍ وَقَلْبٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- يَلِدْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ: هُوَ
- وَلَمْالْوَاوُ: حَرْفُ عَطْفٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. لَمْ: حَرْفُ نَفْيٍ وَقَلْبٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- يُولَدْفِعْلٌ مُضَارِعٌ، مَبْنِيٌّ لِلْمَجْهُولِ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرُ وَنَائِبُ الْفَاعِلِ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ: هُوَ
„Allah belast niemand dan volgens zijn vermogen. Voor hem is hetgeen (de beloning) dat hij doet en voor hem is hetgeen (de bestraffing) wat hij doet. (Zeg:) "Onze Heer, bestraf ons niet als wij vergeten of als wij fouten maken. Onze Heer, belast ons niet zoals U degenen vóór ons belast heeft. Onze Heer belast ons niet met wat wij niet kunnen dragen en scheld ons kwijt en vergeef ons en wees ons genadig. U bent onze Meester en help ons tegen het ongelovige volk."” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (2:286) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 2:286
حَرْفُ دُعَاءٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
Vooruitblik — Deze لَا is gericht tot Allah en heet daarom لا الدُّعَاء (ʿUthaymīn: je zegt niet نَاهِيَة tegenover je Heer) — zelfde jazm, andere etiquette; dat onderscheid is lesstof in de harf-jazm-leertekst. إِن نَّسِينَا is een voorwaardelijke zin (شرط, niveau 5), en de نا-voornaamwoorden komen in fase 5 aan bod.
Volledige ontleding— toon per woord
- رَبَّنَامُنَادًى مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَ(نَا) ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
- لَاحَرْفُ دُعَاءٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- تُؤَاخِذْنَآفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَا) الدُّعَائِيَّةِ، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: أَنْتَ، وَ(نَا) ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ نَصْبٍ مَفْعُولٌ بِهِ
- إِنأَدَاةُ شَرْطٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- نَّسِينَآفِعْلٌ مَاضٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ؛ لِاتِّصَالِهِ بِـ(نَا) الدَّالَّةِ عَلَى الْفَاعِلِينَ، وَ(نَا) ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ
- أَوْحَرْفُ عَطْفٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- أَخْطَأْنَافِعْلٌ مَاضٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ؛ لِاتِّصَالِهِ بِـ(نَا) الدَّالَّةِ عَلَى الْفَاعِلِينَ، وَ(نَا) ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ
„Toen zij bij Dâwôed binnenkwamen, schrok Hij van ten, zij zeiden: "Wees niet bang, wij zijn twee mannen die het met elkaar oneens zijn, een van ons heeft de ander onrechtvaardig behandeld. Oordeel daarom rechtvaardig tussen ons en wijk niet af van de Waarheid en leid ons naar het rechte Pad.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (38:22) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 38:22
الْوَاوُ: حَرْفُ عَطْفٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. لَا: حَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
Vooruitblik — De fāʿil van تُشْطِطْ is een verborgen voornaamwoord (ضمير مستتر وجوبًا, تقديره أنت) — de tweede persoon; de volledige verantwoording van de verborgen fāʿil komt in de restant-fase van de werkwoord-as. فَاحْكُم is een gebiedende wijs (فعل أمر); de amr komt later op de werkwoord-as aan bod.
Volledige ontleding— toon per woord
- فَٱحْكُمالْفَاءُ: حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. احْكُمْ: فِعْلُ أَمْرٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: أَنْتَ
- بَيْنَنَاظَرْفُ مَكَانٍ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَ(نَا) ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
- بِٱلْحَقِّالْبَاءُ: حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْكَسْرِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. الْحَقِّ: اسْمٌ مَجْرُورٌ بِالْبَاءِ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِـ(احْكُمْ)
- وَلَاالْوَاوُ: حَرْفُ عَطْفٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. لَا: حَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- تُشْطِطْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَا) النَّاهِيَةِ، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: أَنْتَ
„Laten de gelovigen niet de ongelovigen in plaats van de gelovigen als beschermers nemen, en degene die dat doet heeft niets meer met Allah te maken, behalve wanneer jullie hen (de ongerlovigen) angstig vrezen. En Allah waarschuwt jullie (voor) Zijn (bestraffing). En tot Allah is de terugkeer.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (3:28) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 3:28
نَاهِيَةٌ جَازِمَةٌ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
Vooruitblik — De kasra onder يَتَّخِذِ is niet het teken — het teken blijft sukūn; de kasra voorkomt alleen dat twee sukūns botsen (التقاء الساكنين). De wāw/yāʾ-tekens van جمع مذكر سالم (المؤمنون، الكافرين، المؤمنين) en de نون als vervanging van de tanwīn komen in de tekens-fase aan bod; het tweede lijdend voorwerp en de iḍāfa volgen in fase 4–6.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَّانَاهِيَةٌ جَازِمَةٌ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- يَتَّخِذِفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَا)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ، حُرِّكَ بِالْكَسْرِ؛ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ
- ٱلْمُؤْمِنُونَفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الْوَاوُ؛ لِأَنَّهُ جَمْعُ مُذَكَّرٍ سَالِمٌ، وَالنُّونُ عِوَضٌ عَنِ التَّنْوِينِ فِي الِاسْمِ الْمُفْرَدِ
- ٱلْكَٰفِرِينَمَفْعُولٌ بِهِ أَوَّلُ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْيَاءُ؛ لِأَنَّهُ جَمْعُ مُذَكَّرٍ سَالِمٌ، وَالنُّونُ عِوَضٌ عَنِ التَّنْوِينِ فِي الِاسْمِ الْمُفْرَدِ
- أَوْلِيَآءَمَفْعُولٌ بِهِ ثَانٍ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ
- مِنحَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- دُونِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ(مِنْ) وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ
- ٱلْمُؤْمِنِينَمُضَافٌ إِلَيْهِ مَجْرُورٌ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْيَاءُ؛ لِأَنَّهُ جَمْعُ مُذَكَّرٍ سَالِمٌ، وَالنُّونُ عِوَضٌ عَنِ التَّنْوِينِ فِي الِاسْمِ الْمُفْرَدِ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِنَعْتٍ مَحْذُوفٍ مِنْ أَوْلِيَاءَ
„(Zij zeggen:) "Onze Heer, laat onze harten niet afwijken nadat U ons geleid heeft en schenk ons van Uw kant Barmhartigheid. Voorwaar. U bent de Schenker.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (3:8) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 3:8
حَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
Vooruitblik — Deze لَا is gericht tot Allah: van laag naar hoog heet zij لا الدُّعَاء — zelfde jazm, andere etiquette (dat onderscheid is lesstof, zie de harf-jazm-leertekst). رَبَّنَا is een aanroep (منادى, fase 4/5) en de نا-voornaamwoorden komen in fase 5 aan bod.
Volledige ontleding— toon per woord
- رَبَّنَامُنَادًى مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَ(نَا) ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
- لَاحَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- تُزِغْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَا)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: أَنْتَ
- قُلُوبَنَامَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَ(نَا) ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
„De bedoeïenen zeggen: "Wij geloven." Zeg (tegen hen O Moehammad): "Jullie geloven (nog) niet," maar zeg (dat zij zeggen): "Wij hebben ons overgegeven," want het geloof is jullie harten nog niet binnengegaan. Maar als jullie Allah en Zijn Boodschapper gehoorzamen, dan vermindert Hij niets (van de beloning) van jullie daden. Voorwaar, Allah is Vergevensgezind, Meest Barmhartig.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (49:14) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 49:14
حَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ وَقَلْبٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
Vooruitblik — تُؤْمِنُوا is één van de vijf werkwoordsvormen (الأفعال الخمسة): het jazm-teken is hier het weglaten van de نون (حذف النون) — dat leer je in niveau 7. De وَاو is de fāʿil (pronomen-ontleding, fase 5).
Volledige ontleding— toon per woord
- قُلفِعْلُ أَمْرٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: أَنْتَ
- لَّمْحَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ وَقَلْبٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- تُؤْمِنُوا۟فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ حَذْفُ النُّونِ؛ لِأَنَّهُ مِنَ الْأَفْعَالِ الْخَمْسَةِ، وَالْوَاوُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ
„Hebben Wij niet jouw borst verruimd (O Mohammed)?” — vert. Siregar
Qurʾān 94:1
الْهَمْزَةُ: حَرْفُ اسْتِفْهَامٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. لَمْ: حَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ وَقَلْبٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
Vooruitblik — أَلَمْ is لَمْ met de vraag-hamza (همزة الاستفهام) ervóór — één geschreven woord, twee partikels; deze samengestelde jāzim-vormen (أَلَمْ، أَلَمَّا) volgen later in je leerpad. De verborgen fāʿil (تقديره نحن) komt in de restant-fase van de werkwoord-as aan bod.
Volledige ontleding— toon per woord
- أَلَمْالْهَمْزَةُ: حَرْفُ اسْتِفْهَامٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. لَمْ: حَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ وَقَلْبٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- نَشْرَحْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: نَحْنُ
- لَكَاللَّامُ حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. وَالْكَافُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ بِحَرْفِ الْجَرِّ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالْفِعْلِ نَشْرَحْ
- صَدْرَكَمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَالْكَافُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
„Lach niet te veel.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 1, p. 49
حَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
Vooruitblik — De fāʿil van تُكْثِرْ is een verborgen voornaamwoord (تقديره أنت); de volledige verantwoording daarvan komt in de restant-fase van de werkwoord-as. Let op مِنَ: de fatḥa is er alleen omdat twee sukūns anders zouden botsen — het bināʾ-teken blijft sukūn.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَاحَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- تُكْثِرْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَا) النَّاهِيَةِ، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: أَنْتَ
- مِنَحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- الضَّحِكِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ(مِنْ)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„Mohammed heeft zijn les niet geleerd.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 1, p. 49
حَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ وَقَلْبٍ
Vooruitblik — De هاء in دَرْسَهُ is een gebonden voornaamwoord als مضاف إليه; de iḍāfa komt in fase 6 en de pronomen-ontleding in fase 5 aan bod.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَمْحَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ وَقَلْبٍ
- يَحْفَظْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- مُحَمَّدٌفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- دَرْسَهُمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَالْهَاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
„Het vallen van de regen is niet opgehouden.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 1, p. 49
حَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ وَقَلْبٍ
Vooruitblik — نُزُولُ الْمَطَرِ is een iḍāfa (bezitsconstructie); de مضاف إليه komt in fase 6 aan bod.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَمْحَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ وَقَلْبٍ
- يَنْقَطِعْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- نُزُولُفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَافٌ
- الْمَطَرِمُضَافٌ إِلَيْهِ مَجْرُورٌ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„Eet niet terwijl je verzadigd bent.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 1, p. 49
حَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
Vooruitblik — وَأَنْتَ شَبْعَانُ is een toestandszin (جملة حالية) — de ḥāl komt in fase 4 aan bod. De fāʿil van تَأْكُلْ is een verborgen voornaamwoord (تقديره أنت); de volledige verantwoording daarvan volgt in de restant-fase van de werkwoord-as. شَبْعَانُ krijgt géén tanwīn (ممنوع من الصرف) — dat leer je in de tekens-fase.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَاحَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- تَأْكُلْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَا) النَّاهِيَةِ، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: أَنْتَ
- وَأَنْتَالْوَاوُ: وَاوُ الْحَالِ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. أَنْتَ: ضَمِيرٌ مُنْفَصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ مُبْتَدَأٌ
- شَبْعَانُخَبَرٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„Farīd is niet op reis gegaan.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 1, p. 52
حَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ وَقَلْبٍ
Volledige ontleding— toon per woord
- لَمْحَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ وَقَلْبٍ
- يُسَافِرْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- فَرِيدٌفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„Het meisje heeft niets misdaan, dat men haar zou moeten vrezen.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 2, p. 185
حَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ
Vooruitblik — فَتُخَافَ is manṣūb door een verborgen أَنْ na de فاء السببية — dat hoort bij de nawāṣib-restant die later in je leerpad volgt. De kasra onder تُذْنِبِ is niet het teken: het teken blijft sukūn, de kasra voorkomt de botsing van twee sukūns.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَمْحَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ
- تُذْنِبِفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ. وَحُرِّكَ بِالْكَسْرِ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ
- الْبِنْتُفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- فَتُخَافَالْفَاءُ لِلسَّبَبِيَّةِ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، وَتُخَافَ: فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(أَنْ) مُضْمَرَةٍ وُجُوبًا، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ
„De man was niet onwetend in het zwemmen, zodat hij zou verdrinken.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 2, p. 185
حَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ
Vooruitblik — فَيَغْرَقَ is manṣūb door een verborgen أَنْ na de فاء السببية — dat hoort bij de nawāṣib-restant die later in je leerpad volgt. De kasra onder يَجْهَلِ is niet het teken: het teken blijft sukūn, de kasra voorkomt de botsing van twee sukūns.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَمْحَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ
- يَجْهَلِفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ. وَحُرِّكَ بِالْكَسْرِ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ
- الرَّجُلُفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- السِّبَاحَةَمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- فَيَغْرَقَالْفَاءُ لِلسَّبَبِيَّةِ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، وَيَغْرَقَ: فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(أَنْ) مُضْمَرَةٍ وُجُوبًا، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ
„Alleen Muḥammad heeft de les uitgelegd.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 292
حَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَابِ
Vooruitblik — لم + مضارع (jazm) hoort bij de werkwoord-as (fase 1) en de uitsluiting met إلا (حصر/استثناء) bij de manṣūbāt-fase (fase 4).
Volledige ontleding— toon per woord
- لَمْحَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَابِ
- يَشْرَحِفِعْل مُضَارِع مَجْزُوم بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُون الظَّاهِرَة
- الدَّرْسَمَفْعُول بِهِ مُقَدَّم مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- إِلَّاحَرْفُ اسْتِثْنَاءٍ نُقِضَ عَمَلُهُ بِالنَّفْيِ وَالنَّقْصِ يُفِيدُ الحَصْرَ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَابِ
- مُحَمَّدٌفَاعِل مُؤَخَّر مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ