Marfūʿāt — zinsdelen in de nominatief (rafʿ)
Onderwerp nominale zin (mubtadaʾ)
marfūʿ · nominatiefWat houdt het in
De regel eerst, dan het waarom
Regel
De mubtadaʾ begint de nominale zin (zonder werkwoord) en is marfūʿ.
Waarom
De nominale zin begint met datgene waarover je iets meedeelt; dat beginpunt is marfūʿ.
Onthouden
Waarover gaat de zin? → de mubtadaʾ → rafʿ.
De regel, volledig
In het Arabisch heb je twee soorten zinnen. De werkwoordszin (jumla fiʿliyya, جُمْلَةٌ فِعْلِيَّةٌ) begint met een werkwoord. De nominale zin (jumla ismiyya, جُمْلَةٌ اسْمِيَّةٌ) begint met een naamwoord. Zo'n zin heeft geen werkwoord nodig. Hij bestaat uit twee naamwoorden. Het eerste is waar je iets over zegt. Dat heet de mubtadaʾ (المُبْتَدَأُ, letterlijk 'datgene waarmee begonnen wordt'). Het tweede is wat je erover zegt. Dat maakt de zin af en heet de khabar, het gezegde.
De regel is kort. De mubtadaʾ staat altijd in de rafʿ-naamval. Hij is dus marfūʿ en eindigt meestal op een ḍamma. an-Naḥw al-Wāḍiḥ zegt het zo:
المُبْتَدَأُ: اسْمٌ مَرْفُوعٌ فِي أَوَّلِ الجُمْلَةِ
— an-Naḥw al-Wāḍiḥ (dl. 1), المبتدأ والخبر (القاعدة), gedrukte p. 36
Dit betekent: de mubtadaʾ is een marfūʿ naamwoord vooraan de zin. Ook de khabar is marfūʿ. Een nominale zin heeft dus twee marfūʿ naamwoorden. In مُحَمَّدٌ حَاضِرٌ ('Muḥammad is aanwezig') is مُحَمَّدٌ de mubtadaʾ en حَاضِرٌ de khabar. Allebei eindigen ze op een ḍamma, en allebei zijn ze marfūʿ.
an-Naḥw al-Wāḍiḥ laat de regel zien met eenvoudige zinnen. Het openingswoord is telkens de mubtadaʾ, marfūʿ.
| Zin | Doelwoord | Functie | Modelantwoord |
|---|---|---|---|
| التُّفَّاحَةُ حُلْوَةٌ | التُّفَّاحَةُ | mubtadaʾ ('de appel is zoet') | مُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ |
| الصُّورَةُ جَمِيلَةٌ | الصُّورَةُ | mubtadaʾ ('het plaatje is mooi') | مُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ |
| الجَرْيُ مُفِيدٌ | الجَرْيُ | mubtadaʾ ('hardlopen is nuttig') | مُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ |
| القِطَارُ سَرِيعٌ | القِطَارُ | mubtadaʾ ('de trein is snel') | مُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ |
| النَّظَافَةُ وَاجِبَةٌ | النَّظَافَةُ | mubtadaʾ ('reinheid is een plicht') | مُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ |
Het boek geeft er een handige proef bij. Leg je vinger op het tweede woord en lees alleen التُّفَّاحَةُ...؟ Dan blijf je met een vraag zitten: wat is er met die appel? Haal je vinger weg en lees التُّفَّاحَةُ حُلْوَةٌ. Nu is de mededeling compleet (fāʾida tāmma). Het tweede woord, de khabar, maakt de zin dus 'nuttig' (mufīd).
De klassieke definitie komt uit de al-Ājurrūmiyya. al-Tuḥfa al-Saniyya en de Sharḥ van Ibn ʿUthaymīn werken haar verder uit. Beide boeken omschrijven de mubtadaʾ zo:
الاِسْمُ المَرْفُوعُ العَارِي عَنِ العَوَامِلِ اللَّفْظِيَّةِ
— al-Ājurrūmiyya (matn), afgedrukt in al-Tuḥfa al-Saniyya, باب المبتدأ والخبر, gedrukte p. 87 (PDF-p. 88) · Sharḥ Ibn ʿUthaymīn, gedrukte p. 245
Oftewel: het is het marfūʿ naamwoord dat 'ontbloot' (ʿārin) is van de gesproken regeerders. Die definitie stelt drie eisen. Eén: het is een naamwoord (ism), geen werkwoord en geen partikel. Twee: het is marfūʿ, dus niet manṣūb of majrūr. Drie: er gaat geen gesproken regeerder (ʿāmil lafẓī) aan vooraf. Er staat dus geen werkwoord voor, en ook geen كَانَ of إِنَّ. Zulke woorden zouden het naamwoord een andere naamval geven. Daarom kiest al-Tuḥfa het woord مُحَمَّدٌ uit مُحَمَّدٌ حَاضِرٌ. Voor dat marfūʿ naamwoord staat geen gesproken regeerder.
Maar waarom is de mubtadaʾ dan marfūʿ? Er staat toch geen zichtbare regeerder voor hem. Ibn ʿUthaymīn legt het uit. De mubtadaʾ heeft wel een regeerder (ʿāmil). Alleen is die abstract (maʿnawī), niet gesproken (lafẓī). Het 'beginnen' zelf, al-ibtidāʾ, maakt hem marfūʿ. Zo staat het ook in de iʿrāb:
مُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ بِالاِبْتِدَاءِ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
mubtadaʾ, marfūʿ door al-ibtidāʾ, en het teken van zijn rafʿ is de zichtbare ḍamma op het eind
De mubtadaʾ heeft dus wel een oorzaak. Alleen is die oorzaak geen woord dat je kunt aanwijzen.
Het gewone teken van de rafʿ is de zichtbare ḍamma (aḍ-ḍammatu ẓ-ẓāhira). Bij een tweevoud of een regelmatig mannelijk meervoud ziet het teken er anders uit. Bij het tweevoud is dat de alif, bij het meervoud de wāw. Je ziet het in de matn-voorbeelden الزَّيْدَانِ قَائِمَانِ ('de twee Zayds staan') en الزَّيْدُونَ قَائِمُونَ ('de Zayds staan'). Het teken verandert dus, maar de naamval blijft rafʿ. Dat gaat over de vormtekens en komt later aan bod. Onthoud voor nu: de mubtadaʾ is altijd marfūʿ, wat het teken ook is.
De mubtadaʾ komt in drie vormen. In dit niveau oefen je alleen de eerste. Dat is het uitgesproken, bepaalde naamwoord (ism ẓāhir). Denk aan een eigennaam (مُحَمَّدٌ، عَائِشَةُ), een woord met het lidwoord (العُلَمَاءُ، التُّفَّاحَةُ) of een iḍāfa-constructie. Dat het bepaald (maʿrifa) is, is logisch. Je kunt pas iets over iets zeggen als de luisteraar weet waarover je het hebt. De tweede vorm is het losse voornaamwoord. De boeken rekenen dat ook tot de mubtadaʾ, zoals in أَنَا قَائِمٌ ('ik sta') en نَحْنُ قَائِمُونَ ('wij staan'). De derde vorm is een 'herleide' vorm (maṣdar muʾawwal). Het voornaamwoord en de herleide vorm komen later aan bod. In fase 1 oefen je de mubtadaʾ als een bepaald, uitgesproken naamwoord.
Vooruitblik: أَنَا / نَحْنُ als mubtadaʾ (fī maḥall rafʿ)
Wil je nu al vooruitkijken? Een voornaamwoord als أَنَا of نَحْنُ is zelf mabnī: het verandert nooit van vorm. Daarom heet het niet 'mubtadaʾ marfūʿ met een ḍamma', maar mubtadaʾ فِي مَحَلِّ رَفْعٍ, 'op de plaats van rafʿ'. Die manier van zeggen komt pas later, na het verschil tussen muʿrab en mabnī. In fase 1 hoef je dat antwoord nooit te geven. Onthoud hier alleen dit: أَنَا قَائِمٌ ('ik sta') is een geldige nominale zin. Het voornaamwoord is dan de mubtadaʾ.
— an-Naḥw al-Wāḍiḥ (dl. 1), المبتدأ والخبر, gedrukte p. 35–36; al-Tuḥfa al-Saniyya (sharḥ al-Ājurrūmiyya), باب المبتدأ والخبر, gedrukte p. 87–88 (PDF-p. 88–89); Sharḥ Ibn ʿUthaymīn ʿalā l-Ājurrūmiyya, المبتدأ والخبر, gedrukte p. 245–247; al-Taṭbīq al-Iʿrābī, صور المبتدأ, gedrukte p. 184–185
Wat het wel en niet is
Leerlingen halen de mubtadaʾ het vaakst door de war met de fāʿil, het onderwerp van een werkwoordszin. Geen wonder: allebei zijn ze marfūʿ, en allebei staan ze vooraan de zin. Toch zijn het twee verschillende rollen. Je houdt ze uit elkaar met één vraag. Staat er een uitgesproken regeerder voor het woord, of niet? Zo'n regeerder is een werkwoord of een nāsikh.
Ibn ʿUthaymīn zet de twee gevallen naast elkaar in zijn iʿrāb-oefening (tadrīb ʿalā l-iʿrāb). Neem قَامَ زَيْدٌ ('Zayd stond op'). Hier is زَيْدٌ een fāʿil, marfūʿ. Niet door al-ibtidāʾ, maar door het werkwoord قَامَ dat ervoor staat. Dat werkwoord is een gesproken regeerder (ʿāmil lafẓī). Neem nu زَيْدٌ قَائِمٌ ('Zayd staat'). Hetzelfde woord زَيْدٌ is hier een mubtadaʾ, marfūʿ door al-ibtidāʾ. Er staat namelijk geen gesproken regeerder voor. Het boek stelt zelf de vraag: «لِمَاذَا وَكِلَاهُمَا مَرْفُوعٌ؟». Waarom verschillen ze, terwijl ze allebei marfūʿ zijn? Het antwoord is simpel. Voor de eerste زَيْدٌ staat niets, voor de tweede staat een werkwoord. Zo werkt de vuistregel. Staat er een werkwoord voor, dan heb je een fāʿil (of nāʾib al-fāʿil). Staat er niets voor en opent het woord een zin zonder werkwoord, dan heb je een mubtadaʾ. Verderop zie je dit paar naast twee nāsikh-gevallen in de contrastset.
Er is nog een tweede regel. Zodra er een regeerder voor het naamwoord staat, is het geen mubtadaʾ meer. Ook al blijft het vooraan de zin staan. al-Tuḥfa zegt het duidelijk:
وَالاِسْمُ الوَاقِعُ بَعْدَ ‹كَانَ› أَوْ إِحْدَى أَخَوَاتِهَا يُسَمَّى ‹اسْمَ كَانَ› وَلَا يُسَمَّى مُبْتَدَأً
— al-Tuḥfa al-Saniyya, باب المبتدأ والخبر, gedrukte p. 87
Het naamwoord na كَانَ of een van haar zusters heet ism kāna, geen mubtadaʾ. Neem كَانَ اللهُ غَفُورًا ('Allāh was vergevensgezind'). Het woord اللهُ is hier geen mubtadaʾ, want كَانَ staat ervoor. Dat is een uitgesproken regeerder. اللهُ is nu de ism kāna, nog steeds marfūʿ. Neem ook إِنَّ زَيْدًا قَائِمٌ ('voorwaar, Zayd staat'). Hier is زَيْدًا niet eens meer marfūʿ, maar manṣūb (ism inna). Alleen قَائِمٌ blijft marfūʿ, als khabar. Deze regeerders zijn كَانَ en إِنَّ met hun zusters, samen de nawāsikh. Ze komen in fase 2 aan bod. Onthoud voor nu: staat zo'n woord ervoor, dan heet het naamwoord geen mubtadaʾ meer.
Tot slot het verschil met de khabar zelf, het tweede naamwoord in dezelfde zin. In één nominale zin zijn mubtadaʾ en khabar allebei marfūʿ. Het teken helpt je dus niet om ze te scheiden. Het verschil zit in de betekenis. De mubtadaʾ is datgene waarover je iets vertelt (al-musnad ilayhi, de muḥaddath ʿanhu). De khabar is wat je erover vertelt (al-musnad, de muḥaddath bihi). Die mededeling maakt de zin pas 'nuttig'. Verwissel je ze, dan begrijp je de zin verkeerd. De khabar heeft een eigen leertekst. Hier blijven we bij de mubtadaʾ.
Twee rollen in één zin, allebei marfūʿ: التُّفَّاحَةُ حُلْوَةٌ
التُّفَّاحَةُ
mubtadaʾ: al-musnad ilayhi, datgene waarover je iets vertelt
حُلْوَةٌ
khabar: al-musnad, de mededeling die de zin 'nuttig' maakt
Het teken scheidt ze niet, want beide zijn marfūʿ. De betekenis wel. Verwissel je ze, dan begrijp je de zin verkeerd.
— Sharḥ Ibn ʿUthaymīn ʿalā l-Ājurrūmiyya, المبتدأ والخبر · تدريب على الإعراب, gedrukte p. 246, 253; al-Tuḥfa al-Saniyya, باب المبتدأ والخبر, gedrukte p. 87; an-Naḥw al-Wāḍiḥ (dl. 1), المبتدأ والخبر, gedrukte p. 35
Veelgemaakte fouten
'Het is marfūʿ, dus het is een fāʿil.' Dit is de hardnekkigste fout. Marfūʿ zijn maakt een woord nog geen fāʿil. Ook de mubtadaʾ, de khabar, de ism kāna en de nāʾib al-fāʿil zijn marfūʿ. Ibn ʿUthaymīn zet ze bij de definitie op een rij. De fāʿil, de nāʾib al-fāʿil, de ism van كَانَ en de khabar van إِنَّ zijn allemaal marfūʿ. Toch is geen daarvan een mubtadaʾ, want een uitgesproken regeerder maakt ze marfūʿ. Een fāʿil is er alleen als er een werkwoord voor staat. Staat er geen werkwoord, dan is het eerste marfūʿ naamwoord een mubtadaʾ. Vraag dus altijd eerst: staat er een werkwoord voor?
'Welk woord maakt de mubtadaʾ marfūʿ?' Leerlingen zoeken naar een zichtbare regeerder. Soms schrijven ze zelfs مَرْفُوعٌ بِالفِعْلِ ('marfūʿ door het werkwoord'). Maar die regeerder is er juist niet. De mubtadaʾ is per definitie ʿārin ʿani l-ʿawāmili l-lafẓiyya, 'ontbloot van de gesproken regeerders'. Zijn rafʿ komt van een betekenisregeerder: het begin zelf, al-ibtidāʾ. De volledige iʿrāb luidt daarom مُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ بِالاِبْتِدَاءِ. Wie toch een werkwoord of partikel ervoor zoekt, verzint iets dat er niet staat. Dat gaat juist tegen de definitie in.
Waardoor is de mubtadaʾ marfūʿ?
fout:
مَرْفُوعٌ بِالفِعْلِ
'marfūʿ door het werkwoord', maar er is geen werkwoord
goed:
مُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ بِالاِبْتِدَاءِ
marfūʿ door al-ibtidāʾ (de betekenisregeerder, ʿāmil maʿnawī)
Een andere fout is na كَانَ of إِنَّ toch 'mubtadaʾ' blijven zeggen. Zoals in de vorige sectie: dan heet het ism kāna of ism inna. Neem إِنَّ الطَّالِبَ مُجْتَهِدٌ ('voorwaar, de student is ijverig'). Het is fout om الطَّالِبَ hier 'mubtadaʾ marfūʿ' te noemen. Het woord is ism inna, manṣūb. En مُجْتَهِدٌ is de khabar (marfūʿ). Het omgekeerde gebeurt ook. Sommige leerlingen laten de khabar na كَانَ nog marfūʿ, terwijl die juist manṣūb is geworden (khabar kāna).
Na إِنَّ is الطَّالِبَ geen mubtadaʾ meer: إِنَّ الطَّالِبَ مُجْتَهِدٌ
fout:
الطَّالِبَ
'mubtadaʾ marfūʿ' noemen
goed:
الطَّالِبَ
ism inna, manṣūb; en مُجْتَهِدٌ is de khabar, marfūʿ
Omgekeerd ook fout: de khabar na كَانَ nog marfūʿ laten, terwijl die juist manṣūb is geworden (khabar kāna).
Een volgende fout is de mubtadaʾ niet marfūʿ maken. De mubtadaʾ staat vooraan, en er staat geen zichtbare regeerder voor hem. Daardoor vergeten leerlingen soms de ḍamma. Ze laten het woord dan in rust of op een andere klinker eindigen. De regel is streng: de mubtadaʾ is marfūʿ, met de ḍamma. Bij tweevoud en meervoud gebruik je het vervangende teken (alif of wāw).
Sommige leerlingen denken dat je een nominale zin met elk naamwoord mag openen. De grondregel is dat de mubtadaʾ bepaald (maʿrifa) is. Denk aan een eigennaam, een woord met الـ, een voornaamwoord of een iḍāfa-constructie. an-Naḥw al-Wāḍiḥ merkt op dat de mubtadaʾ in de regel bepaald is:
الأَصْلُ فِي المُبْتَدَإِ أَنْ يَكُونَ مَعْرِفَةً
— an-Naḥw al-Wāḍiḥ (dl. 1), المبتدأ والخبر, gedrukte p. 36 (voetnoot)
Beginnen met een onbepaald woord (nakira) kan alleen in bijzondere gevallen. Die uitzonderingen komen in fase 3 aan bod. Daar behandelen we ook de woordvolgorde rond mubtadaʾ en khabar. Het uitgangspunt (al-aṣl) is bepaald. Daar houden we het in fase 1 bij. Je mag dus niet zomaar met een nakira openen.
Een laatste fout raakt de overeenstemming (muṭābaqa) tussen mubtadaʾ en khabar. De khabar volgt de mubtadaʾ in getal en geslacht. Kijk naar هِنْدٌ قَائِمَةٌ ('Hind staat'): vrouwelijk enkelvoud, dus ook de khabar. En naar الهِنْدَاتُ قَائِمَاتٌ ('de Hinds staan'): vrouwelijk meervoud, dus ook de khabar. Zet je de khabar in de verkeerde vorm, dan is het een grammaticale fout. Ook al klopt de naamval. Denk aan een mannelijke of enkelvoudige khabar bij een vrouwelijke meervouds-mubtadaʾ.
Overeenstemming (muṭābaqa) in getal en geslacht
هِنْدٌ قَائِمَةٌ
vrouwelijk enkelvoud → khabar vrouwelijk enkelvoud
الهِنْدَاتُ قَائِمَاتٌ
vrouwelijk meervoud → khabar vrouwelijk meervoud
Een mannelijke of enkelvoudige khabar bij een vrouwelijke meervouds-mubtadaʾ is fout, ook al klopt de naamval.
— al-Tuḥfa al-Saniyya, باب المبتدأ والخبر, gedrukte p. 87–88; Sharḥ Ibn ʿUthaymīn, المبتدأ والخبر, gedrukte p. 246–247; an-Naḥw al-Wāḍiḥ (dl. 1), المبتدأ والخبر, gedrukte p. 36 (voetnoot)
Zo zeggen de boeken het
De matn van de al-Ājurrūmiyya is de basistekst voor al deze uitleg. Hij definieert mubtadaʾ en khabar samen, in één zin. Je vindt de tekst identiek en volledig gevocaliseerd in al-Tuḥfa al-Saniyya en in de Sharḥ van Ibn ʿUthaymīn:
المُبْتَدَأُ: هُوَ الاِسْمُ المَرْفُوعُ العَارِي عَنِ العَوَامِلِ اللَّفْظِيَّةِ، وَالخَبَرُ: هُوَ الاِسْمُ المَرْفُوعُ المُسْنَدُ إِلَيْهِ، نَحْوُ قَوْلِكَ: زَيْدٌ قَائِمٌ، وَالزَّيْدَانِ قَائِمَانِ، وَالزَّيْدُونَ قَائِمُونَ.
— al-Ājurrūmiyya (matn), afgedrukt in al-Tuḥfa al-Saniyya, باب المبتدأ والخبر, gedrukte p. 87 (PDF-p. 88) · Sharḥ Ibn ʿUthaymīn, gedrukte p. 245
'De mubtadaʾ is het marfūʿ naamwoord dat ontbloot is van de gesproken regeerders. De khabar is het marfūʿ naamwoord waarover je iets vertelt. Zoals je zegt: Zayd staat, de twee Zayds staan, de Zayds staan.'
al-Tuḥfa al-Saniyya splitst die definitie daarna in drie voorwaarden. De tussenliggende uitleg per voorwaarde is met «...» ingekort:
المُبْتَدَأُ عِبَارَةٌ عَمَّا اجْتَمَعَ فِيهِ ثَلَاثَةُ أُمُورٍ؛ الأَوَّلُ: أَنْ يَكُونَ اسْمًا... وَالثَّانِي: أَنْ يَكُونَ مَرْفُوعًا... وَالثَّالِثُ: أَنْ يَكُونَ عَارِيًا عَنِ العَوَامِلِ اللَّفْظِيَّةِ.
— al-Tuḥfa al-Saniyya, باب المبتدأ والخبر, gedrukte p. 87
'De mubtadaʾ is datgene waarin drie zaken samenkomen. Ten eerste: hij is een naamwoord. Ten tweede: hij is marfūʿ. Ten derde: hij is ontbloot van de gesproken regeerders.'
an-Naḥw al-Wāḍiḥ vat dezelfde regel samen in een genummerde schoolregel (qāʿida):
(٩) المُبْتَدَأُ: اسْمٌ مَرْفُوعٌ فِي أَوَّلِ الجُمْلَةِ. (١٠) الخَبَرُ: اسْمٌ مَرْفُوعٌ يُكَوِّنُ مَعَ المُبْتَدَإِ جُمْلَةً مُفِيدَةً.
— an-Naḥw al-Wāḍiḥ (dl. 1), المبتدأ والخبر (القاعدة), gedrukte p. 36
'(9) De mubtadaʾ: een marfūʿ naamwoord aan het begin van de zin. (10) De khabar: een marfūʿ naamwoord dat samen met de mubtadaʾ een zinvolle zin vormt.'
Tot slot een toegepast voorbeeld. al-Taṭbīq al-Iʿrābī ontleedt de mubtadaʾ العُلَمَاءُ. Die komt uit العُلَمَاءُ نِبْرَاسُ الأُمَّةِ ('de geleerden zijn het baken van de gemeenschap'). De ontleding is precies zoals jij die straks zelf moet kunnen doen:
العُلَمَاءُ: مُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ.
— al-Taṭbīq al-Iʿrābī, صور المبتدأ, gedrukte p. 184
'al-ʿulamāʾ: mubtadaʾ, marfūʿ, en het teken van zijn rafʿ is de zichtbare ḍamma op het eind.'
— al-Tuḥfa al-Saniyya, باب المبتدأ والخبر, gedrukte p. 87 (matn + شرح, PDF-p. 88); Sharḥ Ibn ʿUthaymīn, المبتدأ والخبر, gedrukte p. 245; an-Naḥw al-Wāḍiḥ (dl. 1), المبتدأ والخبر (القاعدة), gedrukte p. 36; al-Taṭbīq al-Iʿrābī, صور المبتدأ, gedrukte p. 184
Contrastset: één woord, vier etiketten
Volg één woord door vier zinnen heen. Zo wordt de aard van de mubtadaʾ het duidelijkst. Neem زَيْد en let telkens alleen op wat ervoor staat.
Niets ervoor (mubtadaʾ) vs. een werkwoord ervoor (fāʿil)
زَيْدٌ قَائِمٌ
زَيْدٌ = mubtadaʾ, marfūʿ door al-ibtidāʾ; er staat niets voor het woord
قَامَ زَيْدٌ
زَيْدٌ = fāʿil, marfūʿ door het werkwoord قَامَ dat eraan voorafgaat; geen mubtadaʾ meer
Met een nāsikh ervoor (fase 2): ism kāna vs. ism inna
كَانَ زَيْدٌ قَائِمًا
زَيْدٌ = ism kāna: nog wel marfūʿ, maar niet langer mubtadaʾ; en de khabar قَائِمًا is nu manṣūb geworden
إِنَّ زَيْدًا قَائِمٌ
زَيْدًا = ism inna, manṣūb, het is zelfs zijn rafʿ kwijt; alleen قَائِمٌ blijft marfūʿ, als khabar
De conclusie: hetzelfde woord زَيْد is achtereenvolgens mubtadaʾ, fāʿil, ism kāna en ism inna. Onderweg verschuift de naamval zelfs van rafʿ naar naṣb. Dat is de kern van dit concept. Een naamwoord is niet uit zichzelf mubtadaʾ. Het wordt mubtadaʾ als het een werkwoordloze zin opent zonder gesproken regeerder ervoor. De laatste twee kaders (كَانَ en إِنَّ met hun zusters) horen inhoudelijk in fase 2. Ze staan hier alleen om te laten zien wanneer een woord geen mubtadaʾ meer is.
— Sharḥ Ibn ʿUthaymīn ʿalā l-Ājurrūmiyya, المبتدأ والخبر · تدريب على الإعراب, gedrukte p. 246, 253; al-Tuḥfa al-Saniyya, باب المبتدأ والخبر, gedrukte p. 87
Bron
Waar dit onderdeel behandeld wordt
al-Ājurrūmiyya
باب الابتداء — «المبتدأُ هو الاسمُ المرفوعُ العاري عن العواملِ اللفظيةِ»
an-Naḥw al-Wāḍiḥ
an-Naḥw al-Wāḍiḥ I — hoofdstuk المبتدأ والخبر
In de boeken
Vindplaatsen in de eigen bibliotheek
al-Tuḥfa al-Saniyya bi-Sharḥ al-Muqaddima al-Ājurrūmiyya
p. 87–92باب المبتدأ والخبر
Sharḥ al-Ājurrūmiyya
p. 245–255المبتدأُ والخبرُ
al-Khulāṣa al-Naḥwiyya fī Sharḥ al-Muqaddima al-Ājurrūmiyya
p. 164–175المبتَدَأُ وَالْخَبَرُ
al-Naḥw al-Wāḍiḥ fī Qawāʿid al-Lugha al-ʿArabiyya
deel 1 · p. 35–38المبتدأ والخبر
al-Naḥw al-Wāḍiḥ fī Qawāʿid al-Lugha al-ʿArabiyya
deel 3 · p. 401–403المبتدأ والخبر وتطابقهما
al-Taṭbīq al-Iʿrābī
p. 183–214المبتدأ
Voorbeelden
„De jongen is ijverig.”
Volledige iʿrāb · marfūʿ
مُبْتَدَأ مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- الْوَلَدُمُبْتَدَأ مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- مُجْتَهِدٌخَبَر مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„De jongen is dichtbij.”
Volledige iʿrāb · marfūʿ
مُبْتَدَأ مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- الْوَلَدُمُبْتَدَأ مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- قَرِيبٌخَبَر مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„De student is nieuw.”
Volledige iʿrāb · marfūʿ
مُبْتَدَأ مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- الطَّالِبُمُبْتَدَأ مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- جَدِيدٌخَبَر مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Voorbeelden uit de bronnen
„Allah is de Enige van Wie al het geschapene afhankelijk is.” — vert. Siregar
Qurʾān 112:2
لَفْظُ الجَلَالَة مُبْتَدَأ مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- ٱللَّهُلَفْظُ الجَلَالَة مُبْتَدَأ مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- ٱلصَّمَدُخَبَر مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„Allah verruimt de levensvoorziening voor wie Hij wil en Hij beperkt. Zij verheugen zich over het wereldse leven, terwijl het wereldse leven in vergelijking met het Hiernamaals slechts een verganke lijke genieting is.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (13:26) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 13:26
مُبْتَدَأ مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- ٱللَّهُمُبْتَدَأ مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- يَبْسُطُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- ٱلرِّزْقَمَفْعُول بِهِ مَنْصُوب وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„Allah zal op de Dag der Opstanding onder jullie oordelen over dat waarover jullie plachten te redetwistten.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (22:69) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 22:69
مُبْتَدَأ مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- ٱللَّهُمُبْتَدَأ مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- يَحْكُمُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- بَيْنَكُمْظَرْف مَكَان مَنْصُوب وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة، وَهُوَ مُضَاف، وَالكَاف ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ مَبْنِيّ فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَاف إِلَيْهِ
Qurʾān 48:29
مُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — رَسُولُ اللَّهِ is een iḍāfa-constructie (رَسُولُ is مضاف, اللَّهِ is مضاف إليه); de iḍāfa wordt in fase 6 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- مُّحَمَّدٌۭمُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- رَّسُولُخَبَرٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَافٌ
- ٱللَّهِلَفْظُ الْجَلَالَةِ مُضَافٌ إِلَيْهِ مَجْرُورٌ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ
„Wee de zwendelaars!” — vert. Siregar
Qurʾān 83:1
مُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — الْمُطَفِّفِينَ is een جمع مذكر سالم: het جرّ-teken is hier de ياء met een نون als vervanging van de tanwīn; deze afwijkende tekens worden in fase 6 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- وَيْلٌۭمُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- لِّلْمُطَفِّفِينَاللَّامُ حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْكَسْرِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. الْمُطَفِّفِينَ: اسْمٌ مَجْرُورٌ بِاللَّامِ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْيَاءُ؛ لِأَنَّهُ جَمْعُ مُذَكَّرٍ سَالِمٌ، وَالنُّونُ عِوَضٌ عَنِ التَّنْوِينِ فِي الِاسْمِ الْمُفْرَدِ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِمَحْذُوفٍ، تَقْدِيرُهُ (كَائِنٌ)
„De geleerden zijn het baken van de oemma.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 184
مُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — نبراس الأمة is een iḍāfa (bezitsconstructie); de مضاف إليه-ontleding wordt in fase 6 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- العلماءُمُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- نبراسُخَبَر مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَاف
- الأُمّةِمُضَاف إِلَيْهِ مَجْرُور، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„Een man is geduldiger dan een vrouw.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 186
مُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — Bijzonder hier: de mubtadaʾ (رجل) is onbepaald — dat mag omdat de zin een algemene uitspraak doet. Wanneer dat mag (ibtidāʾ bi-l-nakira) wordt in fase 3 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- رجلٌمُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- أصبرُخَبَر مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- مِنحَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب، وَحُرِّكَتِ النُّونُ لِتَفَادِي الْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ
- امرأةٍاِسْم مَجْرُور بِـ(مِنْ)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَالجَارُّ وَالمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالخَبَرِ أَصْبَرَ
„Een zitting van kennis is beter dan een zitting van aanbidding.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 187
مُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَاف
Vooruitblik — مجلس علم en مجلس عبادة zijn iḍāfa-constructies; de مضاف إليه-ontleding wordt in fase 6 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- مجلسُمُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَاف
- علمٍمُضَاف إِلَيْهِ مَجْرُور، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- أفضلُخَبَر مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- مِنحَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
- مجلسِاِسْم مَجْرُور بِـ(مِنْ)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَاف، وَالجَارُّ وَالمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالخَبَرِ أَفْضَلَ
- عبادةٍمُضَاف إِلَيْهِ مَجْرُور، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„Inspanning op de weg van Allah is de edelste daad.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 188
مُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — سبيل الله en أكرم عمل zijn iḍāfa-constructies; de مضاف إليه-ontleding wordt in fase 6 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- جهادٌمُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- فيحَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
- سبيلِاِسْم مَجْرُور بِـ(فِي)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَاف، وَالجَارُّ وَالمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالمَصْدَرِ (جِهَادٍ)
- اللهِلَفْظُ الجَلَالَةِ مُضَاف إِلَيْهِ مَجْرُور (عَلَى التَّعْظِيمِ)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- أكرمُخَبَر مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَاف
- عملٍمُضَاف إِلَيْهِ مَجْرُور، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„Elk renpaard struikelt weleens.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 189
مُبْتَدَأٌ مُؤَخَّرٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — Het khabar gaat hier als voorzetselgroep aan de mubtadaʾ vooraf en is zelf weggelaten (خَبَرٌ مُقَدَّمٌ مَحْذُوفٌ); de vooropplaatsing en weglating van het khabar worden in fase 3 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- لِكُلِّاللَّامُاللَّامُ حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْكَسْرِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِكُلِّاسْمٌ مَجْرُورٌ بِاللَّامِ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِخَبَرٍ مُقَدَّمٍ مَحْذُوفٍ
- جَوَادٍمُضَافٌ إِلَيْهِ مَجْرُورٌ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ
- كَبْوَةٌمُبْتَدَأٌ مُؤَخَّرٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„De fedāʾī’s zijn trouw.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 194
مُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الوَاو؛ لِأَنَّهُ جَمْعُ مُذَكَّرٍ سَالِمٌ، وَالنُّونُ عِوَضٌ عَنِ التَّنْوِينِ فِي الاِسْمِ المُفْرَدِ
Vooruitblik — الفدائيون krijgt الواو als teken, met de نون als vervanger van de tanwīn — deze plaatsvervangende tekens worden in fase 6 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- الفدائيونَمُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الوَاو؛ لِأَنَّهُ جَمْعُ مُذَكَّرٍ سَالِمٌ، وَالنُّونُ عِوَضٌ عَنِ التَّنْوِينِ فِي الاِسْمِ المُفْرَدِ
- أوفياءُخَبَر مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„Het is de plicht van de mens om de behoeftige te helpen.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 195
مُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — أَنْ met de manṣūب-muḍāriʿ (يُسَاعِدَ) is niveau-3-stof en wordt hier geoefend. Alleen de omzetting van أَنْ يُسَاعِدَ tot één maṣdar muʾawwal (= مُسَاعَدَة, hier de khabar) volgt in fase 2 (de nawāsikh).
Volledige ontleding— toon per woord
- وَاجِبٌمُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- عَلَىحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- الْإِنْسَانِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ(عَلَى)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِنَعْتٍ مَحْذُوفٍ
- أَنْحَرْفُ مَصْدَرٍ وَنَصْبٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- يُسَاعِدَفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(أَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ هُوَ، وَالْمَصْدَرُ الْمُؤَوَّلُ مِنْ (أَنْ يُسَاعِدَ) فِي مَحَلِّ رَفْعٍ خَبَرٌ
- الْمُحْتَاجَمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„De weg van de kennis is lang.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 196
مُبْتَدَأٌ أَوَّلُ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — Het khabar van الْعِلْمُ is hier zelf een naamwoordelijke zin (طَرِيقُهُ طَوِيلٌ); het khabar als zin wordt in fase 3 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- الْعِلْمُمُبْتَدَأٌ أَوَّلُ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- طَرِيقُهُمُبْتَدَأٌ ثَانٍ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَالْهَاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
- طَوِيلٌخَبَرٌ لِلْمُبْتَدَأِ الثَّانِي (طَرِيقُهُ) مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„Reinheid is een deel van het geloof.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 199
مُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — Deze zin heeft geen los khabar-woord: de voorzetselgroep vervult die rol (khabar shibh-jumla, met een gedachte خبر محذوف). Dit khabar-type wordt in fase 3 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- النظافةُمُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- منَحَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
- الإيمانِاِسْم مَجْرُور بِـ(مِنْ)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَالجَارُّ وَالمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِخَبَرٍ مَحْذُوفٍ، تَقْدِيرُهُ كَائِنَةٌ
„De granaatappel is zoet en zuur.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 201
مُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- الرمانُمُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- حلوٌخَبَر مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- حامضٌخَبَر ثَانٍ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„Geslaagd is Moehammad.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 203
مُبْتَدَأٌ مُؤَخَّرٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — Het khabar staat hier vóór de mubtadaʾ (مُقَدَّم/مُؤَخَّر); de vooropplaatsing van het khabar wordt in fase 3 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- نَاجِحٌخَبَرٌ مُقَدَّمٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- مُحَمَّدٌمُبْتَدَأٌ مُؤَخَّرٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„Kennis zit in de harten, niet in de boekregels.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 203
مُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ
Vooruitblik — Beide voorzetselgroepen vervangen een weggelaten khabar (een eerste en een tweede); het meervoudige khabar en het khabar als voorzetselgroep worden in fase 3 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- الْعِلْمُمُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ
- فِيحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- الصُّدُورِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ(فِي)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ. وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِخَبَرٍ أَوَّلَ مَحْذُوفٍ لِلْمُبْتَدَأِ (الْعِلْمُ)
- لَاحَرْفُ نَفْيٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- فِيحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- السُّطُورِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ(فِي)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ. وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِخَبَرٍ ثَانٍ مَحْذُوفٍ لِلْمُبْتَدَأِ الْعِلْمِ
„De student slaagde.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 282
مُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — De fāʿil van نجح is een verborgen voornaamwoord (ضمير مستتر — fase 5) en de zin نجح is als geheel de khabar van الطالب; de zins-khabar wordt in fase 3 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- الطَّالِبُمُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- نَجَحَفِعْل مَاضٍ، مَبْنِيّ عَلَى الفَتْح الظَّاهِر عَلَى آخِرِهِ، وَالفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ هُوَ
„Hind stond op.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 286
مُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — De zin قامت is als geheel de khabar van هند (zins-khabar — fase 3); de verborgen fāʿil (ضمير مستتر) komt in fase 5 aan bod.
Volledige ontleding— toon per woord
- هِنْدٌمُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- قَامَتْفِعْل مَاضٍ، مَبْنِيّ عَلَى الفَتْح الظَّاهِر عَلَى آخِرِهِ، وَالتَّاءُ لِلتَّأْنِيثِ حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَابِ. جُمْلَةُ (قَامَتْ): جُمْلَةٌ فِعْلِيَّةٌ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ، خَبَرٌ لِلْمُبْتَدَأِ (هِنْدٌ)
„Wat is ʿUmar een voortreffelijke vriend!”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 295
مُبْتَدَأ مُؤَخَّر مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ. وَجُمْلَةُ (نِعْمَ الصَّدِيقُ) جُمْلَةٌ فِعْلِيَّةٌ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ خَبَرٌ مُقَدَّمٌ
Vooruitblik — De نعم-lofconstructie en de zins-khabar (خبر مقدم) worden in latere fasen behandeld; عمر weigert de tanwīn (ممنوع من الصرف — fase 6).
Volledige ontleding— toon per woord
- نِعْمَفِعْل مَاضٍ جَامِد لِإِنْشَاءِ المَدْحِ، مَبْنِيّ عَلَى الفَتْح الظَّاهِر عَلَى آخِرِهِ
- الصَّدِيقُفَاعِل مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- عُمَرُمُبْتَدَأ مُؤَخَّر مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ. وَجُمْلَةُ (نِعْمَ الصَّدِيقُ) جُمْلَةٌ فِعْلِيَّةٌ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ خَبَرٌ مُقَدَّمٌ
„Zayd — wat een voortreffelijke man is hij!”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 296
مُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — De نعم-lofconstructie en de zin نعم الرجل als khabar van زيد (zins-khabar) worden in latere fasen behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- زَيْدٌمُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- نِعْمَفِعْل مَاضٍ جَامِد لِإِنْشَاءِ المَدْحِ، مَبْنِيّ عَلَى الفَتْح الظَّاهِر عَلَى آخِرِهِ
- الرَّجُلُفَاعِل مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„Een eervolle dood is beter dan een vernederend leven.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, pp. 186–187
مُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — كَرِيمٌ en ذَلِيلَةٍ zijn bijvoeglijke bepalingen (naʿt) die hun naamwoord in naamval volgen; de tawābiʿ worden in fase 5 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- مَوْتٌمُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- كَرِيمٌنَعْتٌ لِـ(مَوْتٍ)، مَرْفُوعٌ مِثْلُهُ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ
- خَيْرٌخَبَرٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- مِنْحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- حَيَاةٍاسْمٌ مَجْرُورٌ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- ذَلِيلَةٍنَعْتٌ لِـ(حَيَاةٍ) مَجْرُورٌ مِثْلُهُ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالْخَبَرِ خَيْرٍ
„Een boekje veranderde de loop van mijn leven.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, pp. 188–189
مُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — Het khabar is hier een hele werkwoordszin (غَيَّرَ مَجْرَى حَيَاتِي); het khabar als zin wordt in fase 3 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- كُتَيِّبٌمُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- غَيَّرَفِعْلٌ مَاضٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ الظَّاهِرِ عَلَى آخِرِهِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا تَقْدِيرُهُ هُوَ
- مَجْرَىمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الْمُقَدَّرَةُ عَلَى الْأَلِفِ لِلتَّعَذُّرِ، وَهُوَ مُضَافٌ
- حَيَاتِيمُضَافٌ إِلَيْهِ مَجْرُورٌ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَالْيَاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
„Hij ging naar buiten met een boek in zijn hand.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, pp. 193–194
مُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ
Vooruitblik — De وَ is een wāw van toestand (حَالِيَّة) en كِتَابٌ فِي يَدِهِ is een ḥāl-zin; de ḥāl wordt in fase 4 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- خَرَجَفِعْلٌ مَاضٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ الظَّاهِرِ عَلَى آخِرِهِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ هُوَ
- وَحَالِيَّةٌ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- كِتَابٌمُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ
- فِيحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- يَدِهِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ(فِي)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِمَحْذُوفٍ خَبَرٍ، تَقْدِيرُهُ كَائِنٌ أَوْ مَوْجُودٌ
„De islam heeft zijn mannen.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, pp. 204–205
مُبْتَدَأٌ مُؤَخَّرٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَالْهَاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
Vooruitblik — Het khabar moet hier vooraan staan (het pronomen ـهُ in de mubtadaʾ verwijst ernaar terug); de verplichte khabar-vooropplaatsing wordt in fase 3 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- لِلْإِسْلَامِاللَّامُاللَّامُ حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْكَسْرِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِالْإِسْلَامِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِاللَّامِ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِخَبَرٍ مُقَدَّمٍ مَحْذُوفٍ
- رِجَالُهُمُبْتَدَأٌ مُؤَخَّرٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَالْهَاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
„Een geleerde handelt (naar zijn kennis).”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, pp. 206–207
مُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- عالمٌمُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- عاملٌخَبَر مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„Wat is Hind een voortreffelijke vrouw!”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, pp. 284–285
مَخْصُوص بِالمَدْحِ، مُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَجُمْلَةُ (نِعْمَ المَرْأَةُ) فِي مَحَلِّ رَفْعٍ خَبَرٌ مُقَدَّمٌ لِلْمُبْتَدَأِ هِنْدٌ
Vooruitblik — نعم is een prijzend werkwoord (فعل ماض جامد) met een مخصوص بالمدح-constructie; de نعم/بئس-stijl en de zins-khabar (خبر مقدم) worden in latere fasen behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- نِعْمَتِفِعْل مَاضٍ جَامِد، مَبْنِيّ عَلَى الفَتْح الظَّاهِر عَلَى آخِرِهِ، وَالتَّاءُ لِلتَّأْنِيثِ حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَابِ
- الْمَرْأَةُفَاعِل مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- هِنْدٌمَخْصُوص بِالمَدْحِ، مُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَجُمْلَةُ (نِعْمَ المَرْأَةُ) فِي مَحَلِّ رَفْعٍ خَبَرٌ مُقَدَّمٌ لِلْمُبْتَدَأِ هِنْدٌ
„Het boek heb ik gelezen.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, pp. 289–290
مُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — De تاء (fāʿil) en de هاء (mafʿūl bih) in قرأته zijn gebonden voornaamwoorden; de pronomen-ontleding wordt in fase 5 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- الْكِتَابُمُبْتَدَأ مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- قَرَأْتُهُقَرَأَ: فِعْل مَاضٍ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لِاتِّصَالِهِ بِتَاءِ الفَاعِلِ المُتَحَرِّكَةِ، وَالتَّاءُ: ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ، وَالهَاءُ: ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ نَصْبٍ مَفْعُولٌ بِهِ