Het werkwoord
Onvoltooid werkwoord (fiʿl muḍāriʿ)
marfūʿ · nominatiefWat houdt het in
De regel eerst, dan het waarom
Regel
Het fiʿl muḍāriʿ is — anders dan het altijd-mabnī fiʿl māḍin — muʿrab: het buigt. Het wordt marfūʿ zodra er géén partikel van naṣb of jazm aan voorafgaat (al-Naḥw al-Wāḍiḥ, dl. 1 p. 54, qāʿida 17). Het teken van die rafʿ is een zichtbare ḍamma.
Waarom
Staat er geen bepalend partikel vóór het werkwoord, dan blijft het in zijn vrije grondtoestand — en die is rafʿ. Het boek noemt dat vrij-zijn van de naṣb- en jazm-partikels zélf de oorzaak van de rafʿ. Welke partikels het naar naṣb of jazm trekken, leer je in een later niveau; hier begin je bewust bij de rafʿ.
Onthouden
Geen bepaler ervoor? → rafʿ, met een zichtbare ḍamma (يَنْزِلُ المَطَرُ).
De regel, volledig
Je kent het fiʿl māḍin (het voltooid werkwoord) al. Het staat vast op de fatḥa, wat er ook voor staat. Dat vaststaan heet mabnī. Het fiʿl muḍāriʿ (het onvoltooid werkwoord, voor een handeling van nu of straks) doet iets anders. Dit werkwoord kan van naamval wisselen, net als een naamwoord: het is muʿrab. Dat is het nieuwe idee van dit niveau. Alle boeken zeggen hetzelfde: staat er niets voor de muḍāriʿ dat ingrijpt, dan is hij marfūʿ. Dat vind je van de matn van al-Ājurrūmiyya tot het schoolboek al-Naḥw al-Wāḍiḥ.
De matn zegt het zo. In vertaling: 'de muḍāriʿ is het werkwoord dat aan zijn begin een van de vier toegevoegde letters draagt, verzameld in het woordje anaytu. Hij is altijd marfūʿ, totdat een nāṣib of een jāzim bij hem binnenkomt':
وَالْمُضَارِعُ مَا كَانَ فِي أَوَّلِهِ إِحْدَى الزَّوَائِدِ الْأَرْبَعِ الَّتِي يَجْمَعُهَا قَوْلُكَ «أَنَيْتُ» وَهُوَ مَرْفُوعٌ أَبَداً، حَتَّى يَدْخُلَ عَلَيْهِ نَاصِبٌ أَوْ جَازِمٌ.
— al-Ājurrūmiyya-matn (أحكام الفعل), afgedrukt in al-Tuḥfa al-Saniyya, p. 61
Onthoud twee dingen. Eén: de muḍāriʿ is uit zichzelf marfūʿ. De matn noemt dat marfūʿ abadan, altijd marfūʿ. Twee: de matn zegt er ḥattā ('totdat') bij. De regel geldt totdat er een nāṣib- of jāzim-partikel voor het werkwoord komt. Al-Naḥw al-Wāḍiḥ geeft zes voorbeelden (de volgende sectie) en vat dezelfde regel samen in schoolregel 17:
يُرْفَعُ الْفِعْلُ الْمُضَارِعُ إِذَا لَمْ تَسْبِقْهُ أَدَاةٌ مِنْ أَدَوَاتِ النَّصْبِ أَوِ الْجَزْمِ.
— al-Naḥw al-Wāḍiḥ, dl. 1, p. 54 (القاعدة ١٧)
Het toepassingsboek al-Taṭbīq al-Iʿrābī voegt het teken toe. In vertaling: 'de muḍāriʿ met een gezonde slotletter wordt marfūʿ gemaakt met de ḍamma':
يُرْفَعُ الْفِعْلُ الْمُضَارِعُ الصَّحِيحُ الْآخِرِ بِالضَّمَّةِ.
— al-Taṭbīq al-Iʿrābī (Kāmila al-Kuwārī), رفع المضارع, p. 65
Alles bij elkaar geeft dat de volledige ontleding van zo'n werkwoord. Hier zie je die voor يَنْزِلُ uit het vierde boekvoorbeeld:
يَنْزِلُ: فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَرْفُوعٌ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ
'valt' (in «يَنْزِلُ الْمَطَرُ», 'de regen valt') is een fiʿl muḍāriʿ, marfūʿ, en het teken van zijn rafʿ is de zichtbare ḍamma.
— al-Ājurrūmiyya-matn, afgedrukt in al-Tuḥfa al-Saniyya, p. 61 (أحكام الفعل); al-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾī), dl. 1, رفع الفعل المضارع, p. 54 (القاعدة ١٧ + البحث); al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 65 (رفع المضارع)
De zes voorbeelden uit het boek (الأمثلة)
Dit zijn de zes voorbeelden precies zoals al-Naḥw al-Wāḍiḥ ze op p. 54 opsomt. In elke zin is het eerste woord het onvoltooid werkwoord. Dat werkwoord is telkens marfūʿ, met een zichtbare ḍamma op de laatste letter. Spreek de reeks hardop na en let op die ḍamma aan het eind.
De zes amthila van p. 54: telkens een fiʿl muḍāriʿ marfūʿ (ḍamma ẓāhira)
| Zin | Doelwoord | Functie | Modelantwoord |
|---|---|---|---|
| تَطِيرُ الْحَمَامَةُ | تَطِيرُ | 'de duif vliegt': onvoltooid werkwoord (fiʿl muḍāriʿ) | مَرْفُوعٌ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ |
| يَعُودُ الْمُسَافِرُ | يَعُودُ | 'de reiziger keert terug': onvoltooid werkwoord (fiʿl muḍāriʿ) | مَرْفُوعٌ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ |
| تَسِيرُ السُّحُبُ | تَسِيرُ | 'de wolken trekken voort': onvoltooid werkwoord (fiʿl muḍāriʿ) | مَرْفُوعٌ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ |
| يَنْزِلُ الْمَطَرُ | يَنْزِلُ | 'de regen valt': onvoltooid werkwoord (fiʿl muḍāriʿ), hier met de volledige modelontleding | فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَرْفُوعٌ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ |
| يَثُورُ الْغُبَارُ | يَثُورُ | 'het stof dwarrelt op': onvoltooid werkwoord (fiʿl muḍāriʿ) | مَرْفُوعٌ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ |
| يَحْكُمُ الْقَاضِي | يَحْكُمُ | 'de rechter oordeelt': onvoltooid werkwoord (fiʿl muḍāriʿ) | مَرْفُوعٌ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ |
Zes verschillende werkwoorden, maar één regel: geen bepaler ervoor, dus marfūʿ, dus een zichtbare ḍamma. (Het onderwerp erna is telkens de fāʿil, ook marfūʿ: الْحَمَامَةُ، الْمُسَافِرُ، الْمَطَرُ. Dat ken je al van het vorige niveau.)
— al-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾī), dl. 1, رفع الفعل المضارع, p. 54 (الأمثلة ١–٦)
Wat het wel en niet is: muʿrab tegenover mabnī (het fiʿl māḍin)
Twee werkwoordsvormen delen dezelfde wortel, maar gedragen zich heel verschillend. Het fiʿl māḍin ken je al: de uitgang verandert nooit, dus mabnī. De matn zegt maftūḥu l-ākhiri abadan: altijd een fatḥa op de laatste letter. Het fiʿl muḍāriʿ verandert wel van uitgang, net als een naamwoord: muʿrab. Over die vorm zegt de matn marfūʿun abadan, 'altijd marfūʿ', totdat een nāṣib of jāzim ervoor komt.
Vast (mabnī) tegenover veranderlijk (muʿrab)
نَزَلَ الْمَطَرُ
fiʿl māḍin, mabnī ʿalā al-fatḥ: de laatste letter verandert nooit, wat er ook voor staat. Dat ken je al.
يَنْزِلُ الْمَطَرُ
fiʿl muḍāriʿ, muʿrab: hier marfūʿ (zichtbare ḍamma), maar de uitgang verandert zodra er een nāṣib of jāzim voor komt.
Beide zinnen gaan over dezelfde gebeurtenis: 'de regen viel' en 'de regen valt'. Bij het muḍāriʿ-werkwoord hangt de laatste letter af van wat ervoor staat. Bij het māḍī-werkwoord verandert er nooit iets.
Onthoud dus: 'werkwoord' betekent niet automatisch 'mabnī'. Alleen het fiʿl māḍin is mabnī, straks ook het fiʿl amr. Het fiʿl muḍāriʿ is muʿrab, net als een naamwoord. Op dit niveau zie je hem alleen in zijn gewone toestand: marfūʿ, met een zichtbare ḍamma.
Hoe herken je de muḍāriʿ aan zijn vorm, nog voor je naar de uitgang kijkt? Aan zijn eerste letter. Elke fiʿl muḍāriʿ begint met een van de vier muḍāraʿa-letters: hamza ('ik'), nūn ('wij'), yāʾ ('hij/zij') of tāʾ ('jij', of 'zij' enkelvoud). De matn verzamelt ze in één ezelsbruggetje:
أَنَيْتُ
de vier toegevoegde letters (al-zawāʾid al-arbaʿ) waarmee elke fiʿl muḍāriʿ begint, door de matn verzameld in één woord (al-Tuḥfa, p. 61).
Let op het woord toegevoegd: de letter moet vóór de wortel zijn geplakt. Een wortelletter die toevallig hamza, nūn, yāʾ of tāʾ is, telt niet mee. Daarover gaat de eerste veelgemaakte fout hieronder.
— al-Ājurrūmiyya-matn, afgedrukt in al-Tuḥfa al-Saniyya, p. 61 (het أحكام-contrast māḍī/muḍāriʿ + de زوائد); didactische synthese (curator): de fiʿl-māḍin-tegenhanger نَزَلَ الْمَطَرُ van het boekvoorbeeld يَنْزِلُ الْمَطَرُ (al-Naḥw al-Wāḍiḥ, dl. 1, p. 54) en de letter-persoonstoewijzing bij أَنَيْتُ
Veelgemaakte fouten
Twee fouten komen vaak terug. De eerste: een wortelletter aanzien voor een toegevoegde letter. De tweede: vergeten dat 'altijd marfūʿ' ophoudt zodra er een nāṣib of jāzim komt.
Fout 1: elke beginletter uit أَنَيْتُ maakt nog geen muḍāriʿ
fout:
نَزَلَ
Fout: 'نَزَلَ begint met een nūn, dus het is een fiʿl muḍāriʿ.' Nee: deze nūn is een wortelletter (de wortel is n-z-l), geen toegevoegde letter. نَزَلَ is gewoon een fiʿl māḍin ('hij daalde neer').
goed:
يَنْزِلُ
Goed: hier is de yāʾ een toegevoegde letter vóór de wortel n-z-l. Dit is de fiʿl muḍāriʿ ('hij daalt neer'), marfūʿ met een zichtbare ḍamma.
Controlevraag: haal de eerste letter weg. Blijft er een complete wortel over? Dan was die eerste letter een toegevoegde muḍāraʿa-letter. Zo niet, dan hoorde hij bij de wortel zelf.
Fout 2: 'altijd marfūʿ', maar de matn zegt er ḥattā ('totdat') bij
fout:
لَنْ يَكْتُبُ
Fout: na de nāṣib لَنْ toch een ḍamma schrijven, want 'de muḍāriʿ is toch altijd marfūʿ'. Maar de matn zegt: marfūʿ abadan, ḥattā. Altijd marfūʿ, totdat er een nāṣib of jāzim binnenkomt. لَنْ is zo'n nāṣib, dus hier klopt de ḍamma niet.
goed:
يَكْتُبُ
Goed voor dit niveau: geen nāṣib of jāzim ervoor, dus marfūʿ met een zichtbare ḍamma. Wat er na لَنْ met de uitgang gebeurt, leer je op het volgende niveau.
al-Naḥw al-Wāḍiḥ noemt precies dit als oorzaak: het werkwoord is vrij van die partikels, en dat is de reden van de rafʿ (سَبَبُ الرَّفْعِ).
Let ten slotte op dit geval: twee ḍamma's in één zin, om twee verschillende redenen. In تَطِيرُ الْحَمَامَةُ eindigen het werkwoord en het naamwoord allebei op een ḍamma. Het werkwoord is marfūʿ omdat er geen nāṣib of jāzim voor staat. Het naamwoord is marfūʿ omdat het de fāʿil is. Houd die twee vragen uit elkaar.
— Didactische synthese (curator), geankerd in de matn-ankers; de زوائد en «مَرْفُوعٌ أَبَداً» + «حَتَّى» (al-Tuḥfa al-Saniyya, p. 61); en de البحث-oorzaak (al-Naḥw al-Wāḍiḥ, dl. 1, p. 54)
Zo zeggen de boeken het
De boeken zeggen allemaal hetzelfde, elk op hun eigen manier. De matn deelt de werkwoorden in. De sharḥ-boeken leggen uit wat die indeling betekent. Het schoolboek leidt de regel af uit zijn eigen voorbeelden. Eerst de matn. In vertaling: 'De werkwoorden zijn er drie: voltooid, onvoltooid en gebiedend. Zoals: ḍaraba (hij sloeg), yaḍribu (hij slaat) en het gebod sla!.'
الْأَفْعَالُ ثَلَاثَةٌ: مَاضٍ، وَمُضَارِعٌ، وَأَمْرٌ، نَحْوُ: ضَرَبَ، وَيَضْرِبُ، وَاضْرِبْ.
— al-Ājurrūmiyya-matn (باب الأفعال), afgedrukt in al-Tuḥfa al-Saniyya, p. 61
De Tuḥfa, de sharḥ van Muḥyī al-Dīn ʿAbd al-Ḥamīd, legt uit wat dat 'onvoltooid' betekent. In vertaling: 'Het tweede deel is de muḍāriʿ. Dat is wat wijst op iets dat gebeurt tijdens het spreken of daarna. Zoals: hij slaat, hij helpt, hij opent, hij weet, hij meent, hij is edel.'
وَالْقِسْمُ الثَّانِي: الْمُضَارِعُ، وَهُوَ مَا دَلَّ عَلَى حُصُولِ شَيْءٍ فِي زَمَنِ التَّكَلُّمِ أَوْ بَعْدَهُ، نَحْوُ: «يَضْرِبُ، وَيَنْصُرُ، وَيَفْتَحُ، وَيَعْلَمُ، وَيَحْسِبُ، وَيَكْرُمُ».
— al-Tuḥfa al-Saniyya (Muḥyī al-Dīn ʿAbd al-Ḥamīd), p. 61
Ibn ʿUthaymīn zegt het korter: 'de muḍāriʿ: dat wat wijst op heden of toekomst'. Daarna verdeelt hij de tijd over de drie soorten. De māḍī krijgt het verleden, de amr de toekomst en de muḍāriʿ het heden:
مُضَارِعٌ: مَا دَلَّ عَلَى حَاضِرٍ أَوْ مُسْتَقْبَلٍ.
— Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), أنواع الأفعال, p. 149
وَهَذِهِ الْأَفْعَالُ تَوَزَّعَتِ الزَّمَنَ، الْمَاضِي لِلْمَاضِي، وَالْأَمْرُ لِلْمُسْتَقْبَلِ، وَالْمُضَارِعُ لِلْحَاضِرِ.
— Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), أنواع الأفعال, p. 149–150
Al-Naḥw al-Wāḍiḥ sluit de bespreking van de zes voorbeelden af met de oorzaak zelf. In vertaling: 'dat zij vrij zijn van de nāṣib-partikels en de jāzim-partikels, dat is de oorzaak van de rafʿ':
فَخُلُوُّهَا مِنْ أَدَوَاتِ النَّصْبِ وَأَدَوَاتِ الْجَزْمِ هُوَ سَبَبُ الرَّفْعِ.
— al-Naḥw al-Wāḍiḥ, dl. 1, p. 54 (البحث)
— al-Ājurrūmiyya-matn + al-Tuḥfa al-Saniyya (sharḥ Muḥyī al-Dīn ʿAbd al-Ḥamīd), p. 61 (باب الأفعال); Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), أنواع الأفعال, p. 149–150; al-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾī), dl. 1, p. 54 (البحث)
Verdieping: dit is nog maar het begin (de voetnoot van p. 54)
Wat je hier leert is een begin, geen eindpunt. Het fiʿl muḍāriʿ is uit zichzelf marfūʿ. Dat betekent meteen: er bestaan ook andere toestanden en andere tekens. De voetnoot onderaan p. 54 wijst daar zelf al op. Hieronder kijk je alvast vooruit. Dit wordt op dit niveau nog niet getoetst.
Het teken van de rafʿ: de ḍamma (voetnoot p. 54)
De voetnoot zegt het letterlijk: de rafʿ van het werkwoord krijgt in de basis de ḍamma (al-aṣlu fī rafʿi l-fiʿli an yakūna bi-l-ḍamma). Dat is precies het teken dat je op dit niveau oefent: een zichtbare ḍamma op de laatste letter van het gezonde, enkelvoudige muḍāriʿ-werkwoord. Er bestaat ook een aparte groep: de al-afʿāl al-khamsa. Dat zijn werkwoordsvormen met een aangehecht tweevouds- of persoonsteken, zoals يَسْمَعُونَ. Daar neemt de nūn de plaats van de ḍamma in. Die groep hoort bij een latere fase. Hier blijft het bij: gezond, enkelvoud, ḍamma.
Zwakke werkwoorden: een verborgen ḍamma (voetnoot p. 54)
Dezelfde voetnoot behandelt ook de zwakke (muʿtall) werkwoorden. Die eindigen op een zwakke letter. Eindigt het werkwoord op een alif, zoals يَسْعَى? Dan is de ḍamma niet uit te spreken (taʿaḏḏur) en wordt ze 'verborgen' gedacht (muqaddar). Eindigt het op een wāw of een yāʾ, zoals يَسْمُو of يَرْتَقِي? Dan is de ḍamma te zwaar (istithqāl) en wordt ze ook verborgen gedacht. Op dit niveau oefen je alleen het gezonde werkwoord met een zichtbare ḍamma. De verborgen tekens leer je in de fase over de tekens.
De twee andere toestanden: naṣb en jazm
Komt er een nāṣib-partikel voor het fiʿl muḍāriʿ, dan wisselt de rafʿ naar naṣb. De ḍamma maakt dan plaats voor een fatḥa. Dat is je volgende stap: het ḥarf naṣb, de nawāṣib أَنْ en لَنْ (niveau 3). Komt er een jāzim-partikel voor, dan wisselt de rafʿ naar jazm. De ḍamma verdwijnt dan helemaal (sukūn). Dat leer je in niveau 4, bij het concept ḥarf jazm (de jawāzim لَمْ en لَا). Beide groepen partikels bouwen voort op wat je hier leert. Het zijn precies de أَدَوَاتُ النَّصْبِ en أَدَوَاتُ الْجَزْمِ die de qāʿida noemt. Dit niveau leert je eerst de rafʿ herkennen, de gewone toestand. Zo zie je straks meteen het verschil zodra er een partikel bijkomt. Nog een stap verder krijgt dezelfde muḍāriʿ een nieuwe rol. Na het voorwaardepartikel إِنْ kan hij فعل الشرط (het voorwaardewerkwoord) of جواب الشرط (het antwoord) worden. Dat zijn twee majzūm-werkwoorden na één إِنْ. Dat leer je bij het concept ḥarf sharṭ (niveau 5).
Het bewijs uit de Qurʾān (al-Taṭbīq, p. 65)
Het toepassingsboek al-Taṭbīq al-Iʿrābī bewijst de rafʿ-regel met een vers uit de Qurʾān: Āl ʿImrān 3:129. Daarin staan twee onvoltooide werkwoorden: yaghfiru en yashāʾu. Voor geen van beide staat een nāṣib of jāzim. Allebei zijn ze dus marfūʿ, met een zichtbare ḍamma. Precies die ontleding uit het boek is als geverifieerd bronvoorbeeld opgenomen bij dit concept. Je komt die tegen in de bibliotheek en in je oefeningen. De Nederlandse weergave van het hele vers staat erbij (vert. Siregar). De volledige ontleding van het boek toont daar ook diepere lagen, zoals de verborgen fāʿil. Die lagen worden pas in een latere fase getoetst. Je ziet ze dus wel, maar je hoeft ze nog niet te kennen.
Vooruitblik: dezelfde stam, drie toestanden (nog niet getoetst op dit niveau)
| Zin | Doelwoord | Functie | Modelantwoord |
|---|---|---|---|
| يَكْتُبُ | يَكْتُبُ | rafʿ (dit niveau): geen bepaler ervoor | الضَّمَّةُ |
| لَنْ يَكْتُبَ | يَكْتُبَ | naṣb (niveau 3, het ḥarf naṣb, de nawāṣib أَنْ/لَنْ): na de nāṣib لَنْ | الْفَتْحَةُ |
| لَمْ يَكْتُبْ | يَكْتُبْ | jazm (niveau 4, het ḥarf jazm, de jawāzim لَمْ/لَا): na de jāzim لَمْ | السُّكُونُ |
Wie het fiʿl muḍāriʿ echt beheerst, kent uiteindelijk alle drie de toestanden (rafʿ, naṣb en jazm) en al hun tekens, zichtbaar of verborgen. Dit niveau legt de basis. Je herkent het fiʿl muḍāriʿ aan zijn beginletter. En je weet: zonder bepaler is hij marfūʿ, met de zichtbare ḍamma als teken. De rest volgt in je leerpad, precies zoals de voetnoot van p. 54 aankondigt.
— al-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾī), dl. 1, p. 54, الحاشية (voetnoot 1, «الدروس النحوية» ٤/٣٨٠); al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 65 (de Qurʾān-shāhid bij dit concept); vooruitblik, geen getoetste stof op dit niveau
Bron
Waar dit onderdeel behandeld wordt
al-Ājurrūmiyya
باب الأفعال — «وهو مرفوعٌ أبدًا حتى يدخل عليه ناصبٌ أو جازمٌ»
an-Naḥw al-Wāḍiḥ
an-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾī) dl. 1 — رفع الفعل المضارع, p. 54 (القاعدة ١٧)
Voorbeelden
„Laat de man niet lezen.”
Volledige iʿrāb · majzūm
فِعْل مُضَارِع مَجْزُوم بِلَا النَّاهِيَةِ وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُون، حُرِّكَ بِالْكَسْرِ؛ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ
Volledige ontleding— toon per woord
- لَاحَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
- يَقْرَأِفِعْل مُضَارِع مَجْزُوم بِلَا النَّاهِيَةِ وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُون، حُرِّكَ بِالْكَسْرِ؛ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ
- الرَّجُلُفَاعِل مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„De jongen heeft niet gezeten.”
Volledige iʿrāb · majzūm
فِعْل مُضَارِع مَجْزُوم بِلَمْ وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُون، حُرِّكَ بِالْكَسْرِ؛ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ
Volledige ontleding— toon per woord
- لَمْحَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ وَقَلْبٍ مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
- يَجْلِسِفِعْل مُضَارِع مَجْزُوم بِلَمْ وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُون، حُرِّكَ بِالْكَسْرِ؛ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ
- الْوَلَدُفَاعِل مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„De man zal niet drinken.”
Volledige iʿrāb · manṣūb
فِعْل مُضَارِع مَنْصُوب بِلَنْ وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- لَنْحَرْفُ نَفْيٍ وَنَصْبٍ وَاسْتِقْبَالٍ مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
- يَشْرَبَفِعْل مُضَارِع مَنْصُوب بِلَنْ وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- الرَّجُلُفَاعِل مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Voorbeelden uit de bronnen
„Hij heeft niet verwekt en is niet verwekt.” — vert. Siregar
Qurʾān 112:3
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ: هُوَ
Vooruitblik — يُولَدْ is een lijdende vorm (مبني للمجهول) met een نائب الفاعل; de nāʾib al-fāʿil komt in fase 3 (restant-marfūʿāt) aan bod, de verborgen fāʿil in de restant-fase van de werkwoord-as, en de عطف-wāw in fase 5.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَمْحَرْفُ نَفْيٍ وَقَلْبٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- يَلِدْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ: هُوَ
- وَلَمْالْوَاوُ: حَرْفُ عَطْفٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. لَمْ: حَرْفُ نَفْيٍ وَقَلْبٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- يُولَدْفِعْلٌ مُضَارِعٌ، مَبْنِيٌّ لِلْمَجْهُولِ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرُ وَنَائِبُ الْفَاعِلِ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ: هُوَ
„Het is niet hun vlees en niet hun bloed dat Allah bereikt, maar wat Hem bereikt is de vrees (voor Hem). Zo heeft Hij hen aan jullie dienstbaar gemaakt, opdat jullie Allah verheerlijken omdat Hij jullie leidde. En breng verheugende tijdingen aan de weldoeners.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (22:37) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 22:37
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(لَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ
Vooruitblik — لُحُومُهَا is een iḍāfa met het gebonden voornaamwoord هَا als مضاف إليه; de iḍāfa komt in fase 6, de pronomen-ontleding in fase 5. اللهَ staat hier als vooropgeplaatst lijdend voorwerp (مفعول به مقدَّم); de vooropplaatsing wordt in fase 3 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَنحَرْفُ نَفْيٍ وَنَصْبٍ وَاسْتِقْبَالٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- يَنَالَفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(لَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ
- ٱللَّهَلَفْظُ الْجَلَالَةِ مَفْعُولٌ بِهِ مُقَدَّمٌ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ
- لُحُومُهَافَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ. وَهَا: ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٍ إِلَيْهِ
„Allah belast niemand dan volgens zijn vermogen. Voor hem is hetgeen (de beloning) dat hij doet en voor hem is hetgeen (de bestraffing) wat hij doet. (Zeg:) "Onze Heer, bestraf ons niet als wij vergeten of als wij fouten maken. Onze Heer, belast ons niet zoals U degenen vóór ons belast heeft. Onze Heer belast ons niet met wat wij niet kunnen dragen en scheld ons kwijt en vergeef ons en wees ons genadig. U bent onze Meester en help ons tegen het ongelovige volk."” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (2:286) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 2:286
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَا) الدُّعَائِيَّةِ، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: أَنْتَ، وَ(نَا) ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ نَصْبٍ مَفْعُولٌ بِهِ
Vooruitblik — Deze لَا is gericht tot Allah en heet daarom لا الدُّعَاء (ʿUthaymīn: je zegt niet نَاهِيَة tegenover je Heer) — zelfde jazm, andere etiquette; dat onderscheid is lesstof in de harf-jazm-leertekst. إِن نَّسِينَا is een voorwaardelijke zin (شرط, niveau 5), en de نا-voornaamwoorden komen in fase 5 aan bod.
Volledige ontleding— toon per woord
- رَبَّنَامُنَادًى مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَ(نَا) ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
- لَاحَرْفُ دُعَاءٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- تُؤَاخِذْنَآفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَا) الدُّعَائِيَّةِ، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: أَنْتَ، وَ(نَا) ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ نَصْبٍ مَفْعُولٌ بِهِ
- إِنأَدَاةُ شَرْطٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- نَّسِينَآفِعْلٌ مَاضٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ؛ لِاتِّصَالِهِ بِـ(نَا) الدَّالَّةِ عَلَى الْفَاعِلِينَ، وَ(نَا) ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ
- أَوْحَرْفُ عَطْفٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- أَخْطَأْنَافِعْلٌ مَاضٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ؛ لِاتِّصَالِهِ بِـ(نَا) الدَّالَّةِ عَلَى الْفَاعِلِينَ، وَ(نَا) ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ
„Toen zij bij Dâwôed binnenkwamen, schrok Hij van ten, zij zeiden: "Wees niet bang, wij zijn twee mannen die het met elkaar oneens zijn, een van ons heeft de ander onrechtvaardig behandeld. Oordeel daarom rechtvaardig tussen ons en wijk niet af van de Waarheid en leid ons naar het rechte Pad.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (38:22) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 38:22
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَا) النَّاهِيَةِ، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: أَنْتَ
Vooruitblik — De fāʿil van تُشْطِطْ is een verborgen voornaamwoord (ضمير مستتر وجوبًا, تقديره أنت) — de tweede persoon; de volledige verantwoording van de verborgen fāʿil komt in de restant-fase van de werkwoord-as. فَاحْكُم is een gebiedende wijs (فعل أمر); de amr komt later op de werkwoord-as aan bod.
Volledige ontleding— toon per woord
- فَٱحْكُمالْفَاءُ: حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. احْكُمْ: فِعْلُ أَمْرٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: أَنْتَ
- بَيْنَنَاظَرْفُ مَكَانٍ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَ(نَا) ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
- بِٱلْحَقِّالْبَاءُ: حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْكَسْرِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. الْحَقِّ: اسْمٌ مَجْرُورٌ بِالْبَاءِ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِـ(احْكُمْ)
- وَلَاالْوَاوُ: حَرْفُ عَطْفٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. لَا: حَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- تُشْطِطْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَا) النَّاهِيَةِ، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: أَنْتَ
„En aan Allah behoort alles wat er in de hemelen en op de aarde is, Hij vergeeft wie Hij wil en Hij bestraft wie Hij wil. En Allah is Vergevensgezind, Meest Barmhartig.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (3:129) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 3:129
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ هُوَ
Vooruitblik — لِمَنْ bevat het betrekkelijk voornaamwoord مَنْ (اسم موصول), mabnī in een jarr-positie; de behandeling van de موصولات en de مَحَلّ-ontleding komt in fase 5 aan bod.
Volledige ontleding— toon per woord
- يَغْفِرُفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ هُوَ
- لِمَناللَّامُ حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْكَسْرِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. مَنْ: اسْمٌ مَوْصُولٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ بِحَرْفِ الْجَرِّ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالْفِعْلِ يَغْفِرُ
- يَشَآءُفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ هُوَ
„Laten de gelovigen niet de ongelovigen in plaats van de gelovigen als beschermers nemen, en degene die dat doet heeft niets meer met Allah te maken, behalve wanneer jullie hen (de ongerlovigen) angstig vrezen. En Allah waarschuwt jullie (voor) Zijn (bestraffing). En tot Allah is de terugkeer.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (3:28) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 3:28
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَا)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ، حُرِّكَ بِالْكَسْرِ؛ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ
Vooruitblik — De kasra onder يَتَّخِذِ is niet het teken — het teken blijft sukūn; de kasra voorkomt alleen dat twee sukūns botsen (التقاء الساكنين). De wāw/yāʾ-tekens van جمع مذكر سالم (المؤمنون، الكافرين، المؤمنين) en de نون als vervanging van de tanwīn komen in de tekens-fase aan bod; het tweede lijdend voorwerp en de iḍāfa volgen in fase 4–6.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَّانَاهِيَةٌ جَازِمَةٌ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- يَتَّخِذِفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَا)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ، حُرِّكَ بِالْكَسْرِ؛ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ
- ٱلْمُؤْمِنُونَفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الْوَاوُ؛ لِأَنَّهُ جَمْعُ مُذَكَّرٍ سَالِمٌ، وَالنُّونُ عِوَضٌ عَنِ التَّنْوِينِ فِي الِاسْمِ الْمُفْرَدِ
- ٱلْكَٰفِرِينَمَفْعُولٌ بِهِ أَوَّلُ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْيَاءُ؛ لِأَنَّهُ جَمْعُ مُذَكَّرٍ سَالِمٌ، وَالنُّونُ عِوَضٌ عَنِ التَّنْوِينِ فِي الِاسْمِ الْمُفْرَدِ
- أَوْلِيَآءَمَفْعُولٌ بِهِ ثَانٍ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ
- مِنحَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- دُونِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ(مِنْ) وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ
- ٱلْمُؤْمِنِينَمُضَافٌ إِلَيْهِ مَجْرُورٌ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْيَاءُ؛ لِأَنَّهُ جَمْعُ مُذَكَّرٍ سَالِمٌ، وَالنُّونُ عِوَضٌ عَنِ التَّنْوِينِ فِي الِاسْمِ الْمُفْرَدِ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِنَعْتٍ مَحْذُوفٍ مِنْ أَوْلِيَاءَ
„(Zij zeggen:) "Onze Heer, laat onze harten niet afwijken nadat U ons geleid heeft en schenk ons van Uw kant Barmhartigheid. Voorwaar. U bent de Schenker.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (3:8) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 3:8
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَا)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: أَنْتَ
Vooruitblik — Deze لَا is gericht tot Allah: van laag naar hoog heet zij لا الدُّعَاء — zelfde jazm, andere etiquette (dat onderscheid is lesstof, zie de harf-jazm-leertekst). رَبَّنَا is een aanroep (منادى, fase 4/5) en de نا-voornaamwoorden komen in fase 5 aan bod.
Volledige ontleding— toon per woord
- رَبَّنَامُنَادًى مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَ(نَا) ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
- لَاحَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- تُزِغْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَا)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: أَنْتَ
- قُلُوبَنَامَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَ(نَا) ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
„Allah wil (jullie lasten) voor jullie verlichten. En de mens was zwak geschapen.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (4:28) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 4:28
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(أَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا تَقْدِيرُهُ: هُوَ
Vooruitblik — عَنْكُمْ bevat het gebonden voornaamwoord كُمْ (majrūr na عَنْ); de pronomen-ontleding komt in fase 5. أَنْ يُخَفِّفَ vormt samen een maṣdar muʾawwal (mafʿūl van يُرِيدُ); die omzetting wordt in fase 2 (de nawāsikh) behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- يُرِيدُفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- ٱللَّهُلَفْظُ الْجَلَالَةِ، فَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ
- أَنحَرْفُ مَصْدَرٍ وَنَصْبٍ وَاسْتِقْبَالٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- يُخَفِّفَفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(أَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا تَقْدِيرُهُ: هُوَ
- عَنكُمْعَنْ: حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. وَالْكَافُ: ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ بِحَرْفِ الْجَرِّ، وَالْمِيمُ عَلَامَةُ جَمْعِ الذُّكُورِ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالْفِعْلِ (يُخَفِّفَ)
„Ik houd ervan dat jij begrijpt.”
Sharḥ al-Ājurrūmiyya, p. 169
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(أَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا تَقْدِيرُهُ أَنْتَ
Vooruitblik — De fāʿil van تَفْهَمَ is een verborgen voornaamwoord (ضمير مستتر وجوبًا, تقديره أنت); de volledige verantwoording van de verborgen fāʿil komt in de restant-fase van de werkwoord-as.
Volledige ontleding— toon per woord
- أُحِبُّفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- أَنْمَصْدَرِيَّةٌ تَنْصِبُ الْفِعْلَ الْمُضَارِعَ
- تَفْهَمَفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(أَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا تَقْدِيرُهُ أَنْتَ
„Ik zal niet opstaan.”
Sharḥ al-Ājurrūmiyya, p. 170
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(لَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا تَقْدِيرُهُ أَنَا
Vooruitblik — De fāʿil is hier een verborgen voornaamwoord (ضمير مستتر وجوبًا, تقديره أنا); de volledige verantwoording van de verborgen fāʿil komt in de restant-fase van de werkwoord-as.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَنْحَرْفُ نَفْيٍ وَنَصْبٍ وَاسْتِقْبَالٍ
- أَقُومَفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(لَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا تَقْدِيرُهُ أَنَا
„Ik zal niet liegen.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 1, p. 44
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(لَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا تَقْدِيرُهُ أَنَا
Vooruitblik — De fāʿil is hier een verborgen voornaamwoord (ضمير مستتر وجوبًا, تقديره أنا); de volledige verantwoording van de verborgen fāʿil komt in de restant-fase van de werkwoord-as.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَنْحَرْفُ نَصْبٍ
- أَكْذِبَفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(لَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا تَقْدِيرُهُ أَنَا
„Ik hoop dat het weer mild wordt.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 1, p. 44
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(أَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — أَرْجُو is een zwak-eindigend werkwoord (ناقص): het rafʿ-teken is een verborgen ḍamma (muqaddara) op de wāw; de geschatte tekens komen in de tekens-fase aan bod.
Volledige ontleding— toon per woord
- أَرْجُوفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الْمُقَدَّرَةُ عَلَى الْوَاوِ مَنَعَ مِنْ ظُهُورِهَا الثِّقَلُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا تَقْدِيرُهُ أَنَا
- أَنْحَرْفُ نَصْبٍ
- يَعْتَدِلَفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(أَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- الْجَوُّفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„De luiaard zal niet winnen.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 1, p. 44
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(لَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- لَنْحَرْفُ نَصْبٍ
- يَفُوزَفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(لَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- الْكَسْلَانُفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„Ik wil dat de bediende komt.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 1, p. 47
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(أَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- أُرِيدُفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- أَنْحَرْفُ نَصْبٍ
- يَحْضُرَفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(أَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- الْخَادِمُفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„Mohammed zal het dier niet pijnigen.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 1, p. 48
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(لَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- لَنْحَرْفُ نَصْبٍ
- يُعَذِّبَفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(لَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- مُحَمَّدٌفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- الْحَيَوَانَمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„Mohammed heeft zijn les niet geleerd.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 1, p. 49
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — De هاء in دَرْسَهُ is een gebonden voornaamwoord als مضاف إليه; de iḍāfa komt in fase 6 en de pronomen-ontleding in fase 5 aan bod.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَمْحَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ وَقَلْبٍ
- يَحْفَظْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- مُحَمَّدٌفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- دَرْسَهُمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَالْهَاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
„Lach niet te veel.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 1, p. 49
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَا) النَّاهِيَةِ، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: أَنْتَ
Vooruitblik — De fāʿil van تُكْثِرْ is een verborgen voornaamwoord (تقديره أنت); de volledige verantwoording daarvan komt in de restant-fase van de werkwoord-as. Let op مِنَ: de fatḥa is er alleen omdat twee sukūns anders zouden botsen — het bināʾ-teken blijft sukūn.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَاحَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- تُكْثِرْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَا) النَّاهِيَةِ، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: أَنْتَ
- مِنَحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- الضَّحِكِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ(مِنْ)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„Het vallen van de regen is niet opgehouden.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 1, p. 49
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — نُزُولُ الْمَطَرِ is een iḍāfa (bezitsconstructie); de مضاف إليه komt in fase 6 aan bod.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَمْحَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ وَقَلْبٍ
- يَنْقَطِعْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- نُزُولُفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَافٌ
- الْمَطَرِمُضَافٌ إِلَيْهِ مَجْرُورٌ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„Eet niet terwijl je verzadigd bent.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 1, p. 49
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَا) النَّاهِيَةِ، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: أَنْتَ
Vooruitblik — وَأَنْتَ شَبْعَانُ is een toestandszin (جملة حالية) — de ḥāl komt in fase 4 aan bod. De fāʿil van تَأْكُلْ is een verborgen voornaamwoord (تقديره أنت); de volledige verantwoording daarvan volgt in de restant-fase van de werkwoord-as. شَبْعَانُ krijgt géén tanwīn (ممنوع من الصرف) — dat leer je in de tekens-fase.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَاحَرْفُ نَهْيٍ وَدُعَاءٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- تَأْكُلْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَا) النَّاهِيَةِ، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ: أَنْتَ
- وَأَنْتَالْوَاوُ: وَاوُ الْحَالِ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. أَنْتَ: ضَمِيرٌ مُنْفَصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ مُبْتَدَأٌ
- شَبْعَانُخَبَرٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„Farīd is niet op reis gegaan.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 1, p. 52
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- لَمْحَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ وَقَلْبٍ
- يُسَافِرْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- فَرِيدٌفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„De man was niet onwetend in het zwemmen, zodat hij zou verdrinken.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 2, p. 185
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ. وَحُرِّكَ بِالْكَسْرِ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ
Vooruitblik — فَيَغْرَقَ is manṣūb door een verborgen أَنْ na de فاء السببية — dat hoort bij de nawāṣib-restant die later in je leerpad volgt. De kasra onder يَجْهَلِ is niet het teken: het teken blijft sukūn, de kasra voorkomt de botsing van twee sukūns.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَمْحَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ
- يَجْهَلِفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ. وَحُرِّكَ بِالْكَسْرِ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ
- الرَّجُلُفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- السِّبَاحَةَمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- فَيَغْرَقَالْفَاءُ لِلسَّبَبِيَّةِ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، وَيَغْرَقَ: فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(أَنْ) مُضْمَرَةٍ وُجُوبًا، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ
„Het meisje heeft niets misdaan, dat men haar zou moeten vrezen.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 2, p. 185
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ. وَحُرِّكَ بِالْكَسْرِ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ
Vooruitblik — فَتُخَافَ is manṣūb door een verborgen أَنْ na de فاء السببية — dat hoort bij de nawāṣib-restant die later in je leerpad volgt. De kasra onder تُذْنِبِ is niet het teken: het teken blijft sukūn, de kasra voorkomt de botsing van twee sukūns.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَمْحَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ
- تُذْنِبِفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ. وَحُرِّكَ بِالْكَسْرِ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ
- الْبِنْتُفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- فَتُخَافَالْفَاءُ لِلسَّبَبِيَّةِ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، وَتُخَافَ: فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(أَنْ) مُضْمَرَةٍ وُجُوبًا، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ
„Het is de plicht van de mens om de behoeftige te helpen.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 195
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(أَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ هُوَ، وَالْمَصْدَرُ الْمُؤَوَّلُ مِنْ (أَنْ يُسَاعِدَ) فِي مَحَلِّ رَفْعٍ خَبَرٌ
Vooruitblik — أَنْ met de manṣūب-muḍāriʿ (يُسَاعِدَ) is niveau-3-stof en wordt hier geoefend. Alleen de omzetting van أَنْ يُسَاعِدَ tot één maṣdar muʾawwal (= مُسَاعَدَة, hier de khabar) volgt in fase 2 (de nawāsikh).
Volledige ontleding— toon per woord
- وَاجِبٌمُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- عَلَىحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- الْإِنْسَانِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ(عَلَى)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِنَعْتٍ مَحْذُوفٍ
- أَنْحَرْفُ مَصْدَرٍ وَنَصْبٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- يُسَاعِدَفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(أَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ هُوَ، وَالْمَصْدَرُ الْمُؤَوَّلُ مِنْ (أَنْ يُسَاعِدَ) فِي مَحَلِّ رَفْعٍ خَبَرٌ
- الْمُحْتَاجَمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„Alleen Muḥammad heeft de les uitgelegd.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 292
فِعْل مُضَارِع مَجْزُوم بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُون الظَّاهِرَة
Vooruitblik — لم + مضارع (jazm) hoort bij de werkwoord-as (fase 1) en de uitsluiting met إلا (حصر/استثناء) bij de manṣūbāt-fase (fase 4).
Volledige ontleding— toon per woord
- لَمْحَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَابِ
- يَشْرَحِفِعْل مُضَارِع مَجْزُوم بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُون الظَّاهِرَة
- الدَّرْسَمَفْعُول بِهِ مُقَدَّم مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- إِلَّاحَرْفُ اسْتِثْنَاءٍ نُقِضَ عَمَلُهُ بِالنَّفْيِ وَالنَّقْصِ يُفِيدُ الحَصْرَ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَابِ
- مُحَمَّدٌفَاعِل مُؤَخَّر مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ