Het werkwoord
De rafʿ-reden (tajarrud)
marfūʿ · nominatiefWat houdt het in
De regel eerst, dan het waarom
Regel
Een fiʿl muḍāriʿ is marfūʿ zodra het vrij is (mutajarrid) van elk naṣb- of jazm-partikel — die vrijheid zélf is de reden van de rafʿ.
Waarom
Niveau 2 leerde dát een onbepaald muḍāriʿ marfūʿ is; dit niveau leert waaróm — geen partikel vóór het werkwoord betekent geen ʿāmil die het naar naṣb of jazm trekt, en dus blijft het in zijn grondtoestand: rafʿ. Zoals een geregeerd werkwoord de gouverneur van أَنْ/لَنْ/لَمْ/إِنْ noemt, noemt een vrij werkwoord zijn eigen vrijheid: «لِتَجَرُّدِهِ» (want het is vrij).
Onthouden
Geen partikel ervoor? → «لِتَجَرُّدِهِ» — vrij, dus rafʿ.
De regel, volledig
Op niveau 2 zag je wanneer het onvoltooid werkwoord (fiʿl muḍāriʿ) marfūʿ is. Staat er geen bepaler voor het werkwoord, dan is het marfūʿ, met een zichtbare ḍamma. Daarna kwamen er bepalers bij die het werkwoord veranderen. Een nāṣib (أَنْ, لَنْ) geeft het werkwoord naṣb, dat was niveau 3. Een jāzim (لَمْ, لَا) geeft het jazm, en dat leerde je op niveau 4. Op dit niveau komt er iets bij. Je leert nu hardop zeggen waarom een werkwoord marfūʿ is. Dat is doordat er geen bepaler voor staat. Het werkwoord is marfūʿ zolang het vrij (mutajarrid) is van de nāṣib en de jāzim.
De matn van al-Ājurrūmiyya zegt het kort. Het onvoltooid werkwoord is altijd marfūʿ, totdat er een bepaler bij het werkwoord komt. In vertaling: 'En het onvoltooid werkwoord … is altijd marfūʿ, totdat een nāṣib of een jāzim bij het werkwoord komt.'
وَالفِعْلُ المُضَارِعُ … مَرْفُوعٌ أَبَدًا حَتَّى يَدْخُلَ عَلَيْهِ نَاصِبٌ أَوْ جَازِمٌ.
— al-Ājurrūmiyya (matn), أحكام الفعل, afgedrukt in Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 167 = al-Tuḥfa al-Saniyya, p. 64 (de tussenzin over «مُعْرَب» is met «…» weggelaten; deels gevocaliseerd, tashkīl redactioneel; ʿUthaymīn citeert de matn-regel letterlijk op p. 167)
Onthoud twee dingen. Ten eerste: marfūʿ abadan, altijd marfūʿ. De rafʿ is de vaste stand van de muḍāriʿ. Die hoort bij het werkwoord zelf en niet bij de zin. Ten tweede: ḥattā, 'totdat'. Die vaste stand houdt op zodra er een nāṣib of jāzim voor het werkwoord komt. Draai de regel om, dan heb je de reden van de rafʿ te pakken. Zolang geen van beide er staat, is het werkwoord vrij. Dat vrij zijn is de reden dat het marfūʿ is. De sharḥ-boeken hebben er een woord voor: al-tajarrud, 'het los zijn, het vrij zijn'.
al-Tuḥfa al-Saniyya zegt hetzelfde en geeft er een voorbeeld bij. In vertaling: 'En als het (werkwoord) muʿrab is, dan is het marfūʿ zolang er geen nāṣib of jazm bij het werkwoord komt, zoals: «Mohammed begrijpt».'
وَإِذَا كَانَ مُعْرَبًا فَهُوَ مَرْفُوعٌ مَا لَمْ يَدْخُلْ عَلَيْهِ نَاصِبٌ أَوْ جَازِمٌ، نَحْوُ «يَفْهَمُ مُحَمَّدٌ».
— al-Tuḥfa al-Saniyya (Muḥyī al-Dīn ʿAbd al-Ḥamīd), باب أحكام الفعل, p. 64 (deels gevocaliseerd, tashkīl redactioneel)
Zo ontleed je nu een marfūʿ muḍāriʿ voluit. Op niveau 2 was «een fiʿl muḍāriʿ, marfūʿ, met een zichtbare ḍamma» genoeg. Nu voeg je de reden toe. Die komt op de plek waar je bij een nāṣib de bepaler noemde. Na «marfūʿ» zeg je dus waarom: omdat het vrij is van de nāṣib en de jāzim. Het volledige model ziet er zo uit:
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَرْفُوعٌ لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ
De reden staat voor het teken. Dat is net als bij een naṣb-werkwoord, waar de bepaler «بِلَنْ» voor het teken komt. Dit is de vorm die je leert, de Tuḥfa-vorm. In vertaling luidt het zo. 'een fiʿl muḍāriʿ, marfūʿ omdat het vrij is (لِتَجَرُّدِهِ) van de nāṣib en de jāzim, en het teken van zijn rafʿ is de zichtbare ḍamma.'
Pak de reden even uit elkaar, woord voor woord. لِ betekent 'vanwege', التَّجَرُّد 'het vrij zijn' en هِ 'zijn'. Samen: 'vanwege zijn vrij zijn'. Waarvan vrij? مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ, 'van de nāṣib en de jāzim'. Merk op dat de reden beide bepalers noemt. Elk krijgt een lidwoord (النَّاصِب, الجَازِم) en ze staan verbonden met wa ('en'). Dat is de vorm die je opzegt. De reden noemt juist wat er niet is.
— al-Ājurrūmiyya (matn), أحكام الفعل, afgedrukt in Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 167 = al-Tuḥfa al-Saniyya, p. 64 (de matn-rafʿ-regel «مَرْفُوعٌ أَبَدًا حَتَّى …»); al-Tuḥfa al-Saniyya, p. 64 (de rafʿ-regel met het voorbeeld «يَفْهَمُ مُحَمَّدٌ» + de model-ontleding met de reden «لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ»); didactische synthese (curator): de tajarrud-driehoek (rafʿ = de rust, naṣb/jazm = door een aanwezige bepaler, de reden = een afwezigheid) en het per-woord uitpakken van de reden-clausule. De aangeleerde canon «لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ» is de Tuḥfa-vorm; boek-geattesteerd, geen zelfbedachte synthese. NB de Tuḥfa drukt de analyse-zin zonder tashkīl (kale rasm); de model-ontleding staat daarom als display (toegepaste formule), huisstandaard gevocaliseerd
Wat de reden wel en niet is
De reden van de rafʿ is anders van soort dan de reden van naṣb of jazm. Dat verschil is de kern van dit niveau. Bij een naṣb-werkwoord noem je een bepaler die er staat: manṣūb bi-lan, of majzūm door een aanwezige jāzim. Bij rafʿ valt er niets aan te wijzen. De reden is juist dat er iets ontbreekt. Het werkwoord is marfūʿ omdat er geen nāṣib en geen jāzim voor staat. Je wijst dus geen bepaler aan. Je zegt juist dat er geen bepaler voor het werkwoord staat.
Een aanwezige bepaler (naṣb) tegenover een afwezigheid (rafʿ)
لَنْ يَفْهَمَ
manṣūb: hier kun je een bepaler noemen. De nāṣib لَنْ staat voor het werkwoord. Je zegt «مَنْصُوبٌ بِلَنْ»: de fatḥa komt door لَنْ. (niveau 3)
يَفْهَمُ مُحَمَّدٌ
marfūʿ: hier staat er niets voor het werkwoord. Je noemt geen bepaler, want die is er niet: «مَرْفُوعٌ لِتَجَرُّدِهِ». De ḍamma komt doordat elke bepaler ontbreekt. (dit niveau)
Draai het om. Bij naṣb en jazm is er een oorzaak die je kunt aanwijzen: een bepaler voor het werkwoord. Bij rafʿ is die er niet. Daarom noem je bij rafʿ geen bepaler. Je zegt dat het werkwoord vrij is van allebei.
Zet de drie standen naast elkaar. Rafʿ is de stand die je op niveau 2 leerde. naṣb komt door een nāṣib (niveau 3), jazm door een jāzim (niveau 4). De reden die je nu opzegt verbindt die drie. Het werkwoord is marfūʿ doordat het vrij is van de twee bepalers. Anders zouden die het naar naṣb of jazm veranderen.
Let ook op wat de rafʿ-reden niet is. De rafʿ-reden is geen teken en geen naam van de naamval. Ze legt alleen uit waarom de naamval rafʿ is. De naamval blijft rafʿ en het teken blijft de ḍamma. De reden zegt alleen waarom die rafʿ er is. Op niveau 2 zei je de naamval en het teken al. Dit niveau voegt het waarom eraan toe.
— al-Tuḥfa al-Saniyya, p. 64 (het rafʿ-voorbeeld «يَفْهَمُ مُحَمَّدٌ»); didactische synthese (curator): het spiegel-contrast tussen een aanwézige bepaler («مَنْصُوبٌ بِلَنْ», de naṣb-vorm «لَنْ يَفْهَمَ» met de niveau-3-nāṣib لَنْ) en de afwézigheid die de rafʿ verantwoordt («مَرْفُوعٌ لِتَجَرُّدِهِ»); de tajarrud-driehoek als didactisch model. De reden-clausule «لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ» is boek-geattesteerd (Tuḥfa p. 64)
Veelgemaakte fouten
Bij dit niveau horen twee valkuilen. Ze komen allebei uit hetzelfde misverstand. Je denkt dan dat rafʿ, net als naṣb en jazm, een aanwijsbare oorzaak voor het werkwoord heeft. Wie zo'n oorzaak zoekt, gebruikt de reden op de verkeerde plek.
Fout 1: de rafʿ-reden opzeggen terwijl er toch een nāṣib staat
fout:
لَنْ يَفْهَمُ
Fout: na لَنْ het werkwoord toch in de rafʿ laten (ḍamma). De gedachte: 'de muḍāriʿ is toch marfūʿ omdat hij vrij is?'. Maar met لَنْ ervoor is hij juist niet vrij. De reden لِتَجَرُّدِهِ geldt hier niet.
goed:
لَنْ يَفْهَمَ
Goed: لَنْ is een nāṣib, dus manṣūb: «مَنْصُوبٌ بِلَنْ», met een fatḥa. Je noemt hier de bepaler die er staat.
Controle: staat er een nāṣib of jāzim voor het werkwoord? Zo ja, dan is het werkwoord niet mutajarrid. Dan past de rafʿ-reden niet. «لِتَجَرُّدِهِ» zeg je alleen als er geen bepaler staat.
De tweede valkuil is precies andersom. Het werkwoord is dan wel vrij, maar je laat de reden weg. Op niveau 2 mocht dat nog. Daar was het kale «marfūʿ, met een zichtbare ḍamma» genoeg. Op dit niveau hoort de reden erbij. Laat je de reden weg, dan is je ontleding onvolledig.
Fout 2: de reden weglaten in de volledige ontleding
fout:
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَرْفُوعٌ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ
Onvolledig voor dit niveau: het teken klopt, maar de reden ontbreekt. Op niveau 2 was dit genoeg. Nu hoort de reden erbij.
goed:
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَرْفُوعٌ لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ
Volledig: met de reden «لِتَجَرُّدِهِ …» op zijn plek, tussen «مَرْفُوعٌ» en het teken. Dit is het model van dit niveau.
De reden staat tussen «مَرْفُوعٌ» en «وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ». Bij een naṣb-werkwoord staat op die plek de bepaler «بِلَنْ». De plek is dus hetzelfde, alleen de inhoud verschilt. Bij naṣb wijs je een bepaler aan. Bij rafʿ is er geen.
— Didactische synthese (curator), geankerd in de matn-ankers «مَرْفُوعٌ أَبَدًا حَتَّى …» (Sharḥ Ibn ʿUthaymīn p. 167 = al-Tuḥfa p. 64) en het rafʿ↔naṣb-contrast met de niveau-3-nāṣib لَنْ: de valkuil om de rafʿ-reden op te zeggen terwijl er wél een bepaler staat (fout-vorm «لَنْ يَفْهَمُ» met behouden ḍamma; bewust fout, fout-goed-conventie, niveau-1/mudari-precedent) en de valkuil om de reden weg te laten in de volledige ontleding. De canon-vorm «لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ» is boek-geattesteerd (Tuḥfa p. 64)
Zo zeggen de boeken het
Vier boeken en de matn behandelen dezelfde regel, elk op zijn eigen manier. De klassieke traditie noemt de reden van de rafʿ. De moderne schoolboeken houden het bij een kaal «marfūʿ». Eerst de matn van al-Ājurrūmiyya, in vertaling: 'En het onvoltooid werkwoord is altijd marfūʿ, totdat een nāṣib of een jāzim bij het werkwoord komt.'
وَالفِعْلُ المُضَارِعُ … مَرْفُوعٌ أَبَدًا حَتَّى يَدْخُلَ عَلَيْهِ نَاصِبٌ أَوْ جَازِمٌ.
— al-Ājurrūmiyya (matn), أحكام الفعل, afgedrukt in Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 167 = al-Tuḥfa al-Saniyya, p. 64 (deels gevocaliseerd, tashkīl redactioneel; de «معرب»-tussenzin met «…» weggelaten)
Twee sharḥ-boeken drukken de reden zelf af. al-Tuḥfa geeft de vorm die je hier leert: de reden bepaald, met wa, voor het teken. Die zag je in de eerste sectie. Ibn ʿUthaymīn geeft een variant: de reden onbepaald, met «of» (أو), na het teken. Beide zijn juist, en de trainer keurt ze allebei goed. In vertaling: 'een fiʿl muḍāriʿ, marfūʿ met de zichtbare ḍamma, omdat het vrij is van een nāṣib of een jāzim.'
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَرْفُوعٌ بِالضَّمَّةِ الظَّاهِرَةِ لِتَجَرُّدِهِ مِنْ نَاصِبٍ أَوْ جَازِمٍ.
— Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 169 (de model-ontleding; de reden-variant «مِنْ نَاصِبٍ أَوْ جَازِمٍ»; onbepaald + أو, ná het teken; boekvorm, in de toets aanvaard)
De schoolboeken laten de reden juist weg. al-Naḥw al-Wāḍiḥ vat de regel samen in zijn zeventiende qāʿida. Het gebruikt daar een idhā-constructie ('als er geen partikel voor staat'), niet de causale reden. In vertaling: 'Het onvoltooid werkwoord wordt marfūʿ gemaakt wanneer er geen naṣb- of jazm-partikel aan voorafgaat.'
يُرْفَعُ الْفِعْلُ الْمُضَارِعُ إِذَا لَمْ تَسْبِقْهُ أَدَاةٌ مِنْ أَدَوَاتِ النَّصْبِ أَوِ الْجَزْمِ.
— al-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾī), dl. 1, p. 54 (القاعدة ١٧; byte-hergebruikt uit de G2-goedgekeurde mudari-leertekst; dezelfde bron/pagina)
In zijn نموذج ontleedt al-Naḥw al-Wāḍiḥ het werkwoord kort. Het noemt alleen de naamval, zonder reden en zonder tekenclausule:
يَأْكُلُ: فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَرْفُوعٌ
'eet: een fiʿl muḍāriʿ, marfūʿ'. al-Naḥw al-Wāḍiḥ (dl. 1, p. 56) noemt bij de rafʿ geen reden en geen teken. De Ājurrūmiyya-boeken zeggen de reden op. Het schoolboek houdt het kort. De regel zelf is dezelfde.
Ook het toepassingsboek al-Taṭbīq noemt bij het werkwoord alleen het teken, zonder «لِتَجَرُّدِهِ». Hier zie je dat bij een vers uit de Qurʾān (sūrat Āl ʿImrān, 3:129):
﴿يَغْفِرُ لِمَنْ يَشَاءُ﴾
sūrat Āl ʿImrān (3:129): het onvoltooid werkwoord يَغْفِرُ is marfūʿ, met een zichtbare ḍamma. Er staat geen nāṣib of jāzim voor het werkwoord.
فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا تَقْدِيرُهُ هُوَ.
— al-Taṭbīq al-Iʿrābī (Kāmila al-Kuwārī), رفع المضارع, p. 65 (de iʿrāb van يَغْفِرُ bij ﴿يَغْفِرُ لِمَنْ يَشَاءُ﴾، آل عمران ٣:١٢٩; noemt het teken direct, zónder «لِتَجَرُّدِهِ»; de verborgen-fāʿil-clausule «وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ …» is op dit niveau display-only, niet getoetst)
Van de vijf boeken drukken er dus maar twee de reden af: al-Tuḥfa en Ibn ʿUthaymīn, de commentaren op de Ājurrūmiyya. al-Naḥw al-Wāḍiḥ en al-Taṭbīq houden het bij een kaal «marfūʿ». De trainer volgt de lijn van de Ājurrūmiyya en zegt de reden op, in de Tuḥfa-vorm.
— al-Ājurrūmiyya (matn), afgedrukt in Sharḥ Ibn ʿUthaymīn, p. 167 = al-Tuḥfa al-Saniyya, p. 64 (de rafʿ-regel); Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 169 (de model-ontleding met de reden-variant «لِتَجَرُّدِهِ مِنْ نَاصِبٍ أَوْ جَازِمٍ»; onbepaald + أو, ná het teken; boekvorm, in de toets aanvaard; memory boekvormen-nooit-afkeuren); al-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾī), dl. 1, p. 54 (القاعدة ١٧) + p. 56 (het نموذج «يَأْكُلُ: فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَرْفُوعٌ»; géén reden-clausule, idhā-constructie); al-Taṭbīq al-Iʿrābī (Kāmila al-Kuwārī), رفع المضارع, p. 65 (de iʿrāb zónder «لِتَجَرُّدِهِ» bij ﴿يَغْفِرُ لِمَنْ يَشَاءُ﴾، آل عمران ٣:١٢٩); al-Khulāṣa al-Naḥwiyya: de rafʿ-sectie ontbreekt in de beschikbare scan; niet geciteerd (bronplicht, curator-noot); didactische synthese (curator): de khilāf-verzoening (maar 2 van de 5 boeken drukken de reden; wij volgen de Ājurrūmiyya-lijn, Tuḥfa-vorm)
Verdieping: het teken, de betekenisbepaler en wat later komt
Op dit niveau leer je de reden van de rafʿ, met het zichtbare ḍamma-teken. Dat is nog niet het hele verhaal. De boeken laten meer zien dan dit. Dat zie je nu al, maar je oefent en toetst het pas later.
Het teken: nu de zichtbare ḍamma, straks verborgen of vervangen
Op dit niveau is het teken van de rafʿ de zichtbare ḍamma (ḍamma ẓāhira). Dat geldt bij een gezond, enkelvoudig muḍāriʿ-werkwoord. De voetnoot op p. 54 zegt het al: de basisvorm van de rafʿ bij het werkwoord is de ḍamma. Bij andere soorten werkwoorden verschijnt de rafʿ anders. Eindigt het werkwoord op een zwakke letter (muʿtall, zoals يَسْعَى of يَرْتَقِي), dan kun je de ḍamma niet uitspreken. De ḍamma wordt dan 'verborgen' gedacht (muqaddara). Bij de al-afʿāl al-khamsa hoort een tweevouds- of persoonsteken bij het werkwoord, zoals يَكْتُبُونَ. Daar is het rafʿ-teken niet de ḍamma, maar het blijven staan van de nūn. Dat heet een nāʾiba, een plaatsvervangend teken. Die tekens komen in latere niveaus aan de beurt. De reden «لِتَجَرُّدِهِ …» blijft dan steeds dezelfde: vrij van nāṣib en jāzim.
Waarom de reden een afwezigheid is (de betekenisbepaler)
naṣb en jazm hebben een zichtbare oorzaak: een partikel dat je kunt aanwijzen (لَنْ, لَمْ). De rafʿ van de muḍāriʿ heeft dat niet. Er is geen woord dat de rafʿ 'maakt'. Daarom noemen de grammatici de oorzaak een betekenisbepaler (ʿāmil maʿnawī). Dat is geen letter en geen woord, maar het vrij zijn zelf. De reden die je opzegt gaat dus over iets wat er niet is: «لِتَجَرُّدِهِ», omdat het werkwoord vrij is. Je noemt geen bepaler. Bij een naṣb-ontleding wijs je een aanwezig partikel aan. Bij een rafʿ-ontleding zeg je juist dat er niets staat, en dat het werkwoord daardoor vrij blijft.
Het volledige model zeg je bij beheersing (itqān) uit je hoofd op. Het ziet er zo uit, met de reden tussen de naamval en het teken:
Het volledige model-iʿrāb bij itqān: «يَفْهَمُ مُحَمَّدٌ» (het Tuḥfa-voorbeeld)
| Zin | Doelwoord | Functie | Modelantwoord |
|---|---|---|---|
| يَفْهَمُ مُحَمَّدٌ | يَفْهَمُ | onvoltooid werkwoord (fiʿl muḍāriʿ), marfūʿ, vrij van elke nāṣib of jāzim; het Tuḥfa-voorbeeld, p. 64 | فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَرْفُوعٌ لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ |
| يَفْهَمُ مُحَمَّدٌ | مُحَمَّدٌ | de verrichter (fāʿil), marfūʿ; die ken je al van niveau 1 | فَاعِلٌ مَرْفُوعٌ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ |
Bij elke marfūʿ muḍāriʿ stel je één vraag, met telkens hetzelfde antwoord. Waarom marfūʿ? Omdat het vrij is van de nāṣib en de jāzim. Nu ken je de hele muḍāriʿ-reeks. Op niveau 2 leerde je de gewone rafʿ. Daarna kwam de naṣb door een nāṣib, en de jazm door een jāzim. En na إِنْ krijg je twee majzūm-werkwoorden (niveau 5). De rafʿ-tekens muqaddara en nāʾiba komen later in je leerpad. Dat geldt ook voor de andere werkwoordsvormen (māḍī en amr). Wat je nu alleen te zien krijgt, ga je later ook echt oefenen.
— al-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾī), dl. 1, p. 54, الحاشية (de rafʿ-tekens: ḍamma ẓāhira nu, muqaddara/nāʾiba later; de mudari-voetnoot, vooruitblik); al-Tuḥfa al-Saniyya, p. 64 (het voorbeeld «يَفْهَمُ مُحَمَّدٌ» + de model-ontleding met de reden; de bron van het itqān-model); didactische synthese (curator): de reden als betekenis-bepaler (ʿāmil maʿnawī; standaardgrammatica: een afwezigheid, geen zichtbare bepaler), het volledige model-iʿrāb «فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَرْفُوعٌ لِتَجَرُّدِهِ …» (engine-canon, Tuḥfa-vorm; de driehoek rafʿ–naṣb–jazm is nu rond)
Bron
Waar dit onderdeel behandeld wordt
al-Ājurrūmiyya
باب الأفعال — «وهو مرفوعٌ أبدًا حتى يدخل عليه ناصبٌ أو جازمٌ»
an-Naḥw al-Wāḍiḥ
an-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾī) dl. 1 — رفع الفعل المضارع, p. 54 (القاعدة ١٧)
In de boeken
Vindplaatsen in de eigen bibliotheek
al-Tuḥfa al-Saniyya bi-Sharḥ al-Muqaddima al-Ājurrūmiyya
p. 64باب الأفعال — رفع الفعل المضارع
Sharḥ al-Ājurrūmiyya
p. 167باب الأفعال — متن الآجرومية «وهو مرفوعٌ أبدًا حتى يدخل عليه ناصبٌ أو جازمٌ»
المتن مقتبَس في الشرح (يرد كذلك في التحفة السنية ص ٦٤)
Sharḥ al-Ājurrūmiyya
p. 169رفع الفعل المضارع
al-Naḥw al-Wāḍiḥ fī Qawāʿid al-Lugha al-ʿArabiyya
deel 1 · p. 54–56رفع الفعل المضارع
al-Taṭbīq al-Iʿrābī
p. 65رفع الفعل المضارع
Voorbeelden
„De student leest.”
Volledige iʿrāb · marfūʿ
فِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- يَقْرَأُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- الطَّالِبُفَاعِل مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„De jongen leest.”
Volledige iʿrāb · marfūʿ
فِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- يَقْرَأُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- الْوَلَدُفَاعِل مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„De jongen opent.”
Volledige iʿrāb · marfūʿ
فِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- يَفْتَحُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- الْوَلَدُفَاعِل مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Voorbeelden uit de bronnen
„Allah verruimt de levensvoorziening voor wie Hij wil en Hij beperkt. Zij verheugen zich over het wereldse leven, terwijl het wereldse leven in vergelijking met het Hiernamaals slechts een verganke lijke genieting is.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (13:26) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 13:26
فِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- ٱللَّهُمُبْتَدَأ مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- يَبْسُطُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- ٱلرِّزْقَمَفْعُول بِهِ مَنْصُوب وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„Zie jij dan niet dat alles zich voor Allah neerknielt wat er in de hemel en op de aarde is, en de zon en de maan en de sterren en de bergen en de bomen en de dieren en een groot deel van de mensen? Maar voor velen is de bestraffing verplicht. En wie er door Allah vemederd wordt: voor hem zijn erdan geen eerbewijzers. Voorwaar, Allah doet wat Hij wil.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (22:18) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 22:18
فِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- يَفْعَلُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- مَااِسْم مَوْصُول مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون فِي مَحَلِّ نَصْبٍ مَفْعُول بِهِ
- يَشَآءُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع، وَالْجُمْلَة صِلَةُ المَوْصُول لَا مَحَلَّ لَهَا مِنَ الإِعْرَاب
„Allah zal op de Dag der Opstanding onder jullie oordelen over dat waarover jullie plachten te redetwistten.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (22:69) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 22:69
فِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- ٱللَّهُمُبْتَدَأ مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- يَحْكُمُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- بَيْنَكُمْظَرْف مَكَان مَنْصُوب وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة، وَهُوَ مُضَاف، وَالكَاف ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ مَبْنِيّ فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَاف إِلَيْهِ
„En jouw Heer schept wat Hij wil en Hij verkiest (wie Hij wil). Het is niet aan hen om te kiezen. Heilig is Allah en Verheven boven wat zij aan deelgenoten (aan Hem) toekennen.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (28:68) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 28:68
فِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- يَخْلُقُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- مَااِسْم مَوْصُول مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون فِي مَحَلِّ نَصْبٍ مَفْعُول بِهِ
- يَشَآءُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع، وَالْجُمْلَة صِلَةُ المَوْصُول لَا مَحَلَّ لَهَا مِنَ الإِعْرَاب
„Allah, er is geen god dan Hij, de Levende, de Zelfstandige, sluimer noch slaap kan Hem treffen, aan Hem behoort toe wat er in de hemelen en wat er op de aarde is. Wie is degene die van voorspraak is bij Hem zonder Zijn verlof? Hij kent wat er voor hen is en wat er achter hen is. En zij kunnen niets van Zijn Kennis omvatten, behalve wat Hij wil. En Zijn Zetel strekt zich uit over de Hemelen en de Aarde en het waken over beide vermoeit Hem niet. En Hij is de Verhevene, de Almachtige.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (2:255) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 2:255
فِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- يَعْلَمُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- مَااِسْم مَوْصُول مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون فِي مَحَلِّ نَصْبٍ مَفْعُول بِهِ
- بَيْنَظَرْف مَكَان مَنْصُوب وَهُوَ مُضَاف
- أَيْدِيهِمْمُضَاف إِلَيْهِ مَجْرُور
„De gelijkenis van degenen die op de Weg van Allah uitgeven is als de gelijkenis van een graankorrel, (die) zeven aren voortbrengt, in iedere aar honderd korrels, en Allah vermenigvuldigt voor wie Hij wil. En Allah is Alomvattend, Alwetend.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (2:261) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 2:261
فِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- يُضَٰعِفُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- لِمَناللَّام حَرْف جَرّ، وَ«مَن» اِسْم مَوْصُول مَبْنِيّ فِي مَحَلِّ جَرٍّ
- يَشَآءُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع، وَالْجُمْلَة صِلَةُ المَوْصُول لَا مَحَلَّ لَهَا مِنَ الإِعْرَاب
„Dank zij de hulp van Allah. Hij helpt wie Hij wil. En Hij is de Almachtige, de Meest Bamhartige.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (30:5) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 30:5
فِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- يَنصُرُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- مَناِسْم مَوْصُول مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون فِي مَحَلِّ نَصْبٍ مَفْعُول بِهِ
- يَشَآءُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع، وَالْجُمْلَة صِلَةُ المَوْصُول لَا مَحَلَّ لَهَا مِنَ الإِعْرَاب
„En voorzeker, Wij hebben Loeqmân de wijsheid geschonken: wees Allah dankbaar. En wie dankbaar is, is slechts dankbaar voor zichzelf; en wie ondankbaar is: voorwaar, Allah is Behoefteloos, Geprezen.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (31:12) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 31:12
فِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- يَشْكُرُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- لِنَفْسِهِۦاللَّام حَرْف جَرّ، نَفْسِ اِسْم مَجْرُور وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة، وَالهَاء ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ مَبْنِيّ فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَاف إِلَيْهِ
„Hij (Allah) kent het verraad van de ogen en wat de harten verbergen.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (40:19) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 40:19
فِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- يَعْلَمُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- خَآئِنَةَمَفْعُول بِهِ مَنْصُوب وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَاف
- ٱلْأَعْيُنِمُضَاف إِلَيْهِ مَجْرُور وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„Allah is Zachtmoedig voor Zijn dienaren, Hij voorziet wie Hij wil, en Hij is de Sterke, de Almachtige.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (42:19) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 42:19
فِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- يَرْزُقُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- مَناِسْم مَوْصُول مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون فِي مَحَلِّ نَصْبٍ مَفْعُول بِهِ
- يَشَآءُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع، وَالْجُمْلَة صِلَةُ المَوْصُول لَا مَحَلَّ لَهَا مِنَ الإِعْرَاب
„Behalve wat Allah wil. Voorwaar, Hij kent het openlijke en het verborgene.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (87:7) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 87:7
فِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- يَعْلَمُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- ٱلْجَهْرَمَفْعُول بِهِ مَنْصُوب وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„Mohammed begrijpt.”
al-Tuḥfa al-Saniyya, p. 64
فِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- يَفْهَمُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- مُحَمَّدٌفَاعِل مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ