Manṣūbāt — zinsdelen in de accusatief (naṣb)
Lijdend voorwerp (mafʿūl bih)
manṣūb · accusatiefWat houdt het in
De regel eerst, dan het waarom
Regel
Het lijdend voorwerp ondergaat de handeling en staat in de naṣb-naamval.
Waarom
De handeling "valt op" het object; daarom is het manṣūb. Regel eerst: mafʿūl bih ⇒ naṣb.
Onthouden
Waarop valt de handeling? → het object → fatḥa (naṣb).
De regel, volledig
Het lijdend voorwerp ken je uit het Nederlands: in 'de jongen leest het boek' is dat het boek. De klassieke naḥw noemt het de mafʿūl bih (الْمَفْعُولُ بِهِ). Dat is het zelfstandig naamwoord waarop de handeling van de dader (de fāʿil) valt. Omdat de handeling erop valt, krijgt het de naṣb-naamval. De schoolregel van an-Naḥw al-Wāḍiḥ zegt het kort en duidelijk:
الْمَفْعُولُ بِهِ: اسْمٌ مَنْصُوبٌ وَقَعَ عَلَيْهِ فِعْلُ الْفَاعِلِ
— an-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾiyya), deel 1, p. 30
In die ene zin zitten drie eisen. Het lijdend voorwerp is (1) een naamwoord (ism) en (2) manṣūb. En (3) de handeling van de verrichter valt er echt op.
Neem أَكَلَ الذِّئْبُ الْخَرُوفَ (de wolf at het lam). Het eten ging uit van de wolf. Dus الذِّئْبُ is de fāʿil, marfūʿ met een ḍamma. Het eten viel op het lam. Daarom krijgt الْخَرُوفَ de fatḥa: dat is de mafʿūl bih. Hetzelfde patroon zie je in de volgende zinnen: werkwoord, verrichter (rafʿ), voorwerp (naṣb). Telkens is het laatste naamwoord het lijdend voorwerp:
Hetzelfde patroon: werkwoord, verrichter (rafʿ), voorwerp (naṣb)
| Zin | Doelwoord | Functie | Modelantwoord |
|---|---|---|---|
| شَدَّ التِّلْمِيذُ الْحَبْلَ | الْحَبْلَ | lijdend voorwerp: 'de leerling trok het touw strak' | مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ |
| طَوَتِ الْبِنْتُ الثَّوْبَ | الثَّوْبَ | lijdend voorwerp: 'het meisje vouwde het gewaad' | مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ |
| يَبِيعُ الْقَصَّابُ اللَّحْمَ | اللَّحْمَ | lijdend voorwerp: 'de slager verkoopt het vlees' | مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ |
Bij een enkelvoudig naamwoord (mufrad) is het teken van de naṣb de zichtbare fatḥa op het eind. De boeken noemen die al-fatḥa aẓ-ẓāhira. De ontleding krijgt in de boeken steeds dezelfde vaste vorm. Zo bij قَرَأْتُ الدَّرْسَ:
الدَّرْسَ: مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ
— at-Taṭbīq al-Iʿrābī (al-Kuwārī), p. 315
Dezelfde vaste vorm in de modelontledingen van an-Naḥw al-Wāḍiḥ (deel 1, p. 32)
| Zin | Doelwoord | Functie | Modelantwoord |
|---|---|---|---|
| حَمَلَ الْجَمَلُ الْحَطَبَ | الْحَطَبَ | lijdend voorwerp | مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ |
| يَأْكُلُ الذِّئْبُ الشَّاةَ | الشَّاةَ | lijdend voorwerp | مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ |
Dat de fatḥa het teken is, geldt voor het enkelvoud. Tweevoud en meervoud hebben hun eigen naṣb-tekens. Die komen aan bod in de latere fase over de tekens.
Ibn ʿUthaymīn geeft een handige test. Een echt lijdend voorwerp kun je omzetten naar het lijdend deelwoord (ism al-mafʿūl). Zeg je ضَرَبْتُ زَيْدًا (ik sloeg Zayd), dan kun je zeggen فَهُوَ مَضْرُوبٌ (dus hij is 'geslagene'). Zo ook in deze drie testzinnen (Sharḥ al-Ājurrūmiyya, Ibn ʿUthaymīn, p. 368):
رَكِبْتُ الْفَرَسَ فَهُوَ مَرْكُوبٌ
ik bereed het paard, dus het is 'beredene'
قَرَأْتُ الْكِتَابَ فَهُوَ مَقْرُوءٌ
ik las het boek, dus het is 'gelezene'
بَنَيْتُ الْبَيْتَ فَهُوَ مَبْنِيٌّ
ik bouwde het huis, dus het is 'gebouwde'
Lukt die omzetting, dan heb je vrijwel zeker de mafʿūl bih gevonden. De klassieke lijst van manṣūbāt begint er ook mee. نُوحًا in ﴿إِنَّا أَرْسَلْنَا نُوحًا﴾ (Wij hebben Nūḥ gezonden) is mafʿūl bih, manṣūb met de zichtbare fatḥa (at-Tuḥfa as-Saniyya, p. 122).
— an-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾiyya), deel 1, p. 30–32; Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 367–368; at-Taṭbīq al-Iʿrābī (al-Kuwārī), p. 315; at-Tuḥfa as-Saniyya (ʿAbd al-Ḥamīd), p. 122
Wat het wel en niet is
De bekendste fout is het verwisselen van fāʿil en mafʿūl bih. Beide zijn naamwoorden bij hetzelfde werkwoord, dus een beginner haalt ze snel door elkaar. Het verschil zit niet in de plaats, maar in de rol en de naamval. an-Naḥw al-Wāḍiḥ vergelijkt ze in een apart hoofdstuk (al-muwāzana bayna al-fāʿil wa-l-mafʿūl bih). Het boek trekt vijf conclusies:
(1) أَنَّ كُلَّ فَاعِلٍ وَكُلَّ مَفْعُولٍ بِهِ اسْمٌ؛ (2) أَنَّ الْفَاعِلَ هُوَ الَّذِي صَدَرَ عَنْهُ الْفِعْلُ؛ (3) أَنَّ الْمَفْعُولَ بِهِ هُوَ الَّذِي وَقَعَ عَلَيْهِ الْفِعْلُ؛ (4) أَنَّ الْفَاعِلَ آخِرُهُ مَرْفُوعٌ؛ (5) أَنَّ الْمَفْعُولَ بِهِ آخِرُهُ مَنْصُوبٌ
— an-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾiyya), deel 1, p. 34
Wie of wat de handeling verricht, is fāʿil en krijgt rafʿ. Op wie of wat de handeling valt, is mafʿūl bih en krijgt naṣb. Ibn ʿUthaymīn zegt het kort, in vertaling: 'datgene waarop de handeling van de fāʿil valt, dat is het lijdend voorwerp':
فَالَّذِي يَقَعُ بِهِ فِعْلُ الْفَاعِلِ هُوَ الْمَفْعُولُ بِهِ
— Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 367
Vraag dus niet: welk woord staat vooraan? Vraag liever: van wie gaat de handeling uit, en op wie valt zij? Kijk naar رَبَطَتْ فَاطِمَةُ الْجَدْيَ (Fāṭima bond het geitje vast). Het vastbinden gaat uit van فَاطِمَةُ (rafʿ) en valt op الْجَدْيَ (naṣb). Dat is belangrijk, want in het Arabisch mag het lijdend voorwerp voor of na de fāʿil staan:
De volgorde mag om: de naamval laat de rol zien
بَنَى إِبْرَاهِيمُ الْبَيْتَ
fāʿil voor voorwerp: إِبْرَاهِيمُ (ḍamma) is de bouwer, الْبَيْتَ (fatḥa) het gebouwde
بَنَى الْبَيْتَ إِبْرَاهِيمُ
voorwerp voor fāʿil: dezelfde rollen, إِبْرَاهِيمُ (ḍamma) is de bouwer en الْبَيْتَ (fatḥa) het gebouwde
an-Naḥw al-Wāḍiḥ staat beide volgordes uitdrukkelijk toe (ibtidāʾiyya, deel 1, p. 31, voetnoot). De naamval laat de rol zien, niet de volgorde. Soms ligt de volgorde wel vast. Dat gebeurt als de naamval-ḥaraka niet zichtbaar is, zoals in ضَرَبَ أَخِي فَتَاكَ. Dat onderwerp, taqdīm en taʾkhīr, komt in een latere fase aan bod.
At-Taṭbīq noemt nog een tweede kenmerk: het werkwoord verandert niet van vorm door het lijdend voorwerp. Het boek zegt het zo (p. 315):
وَلَا تُغَيَّرُ لِأَجْلِهِ صُورَةُ الْفِعْلِ
— at-Taṭbīq al-Iʿrābī (al-Kuwārī), p. 315
Bij de fāʿil is dat anders: die beïnvloedt het werkwoord wél. Denk aan de vrouwelijke tāʾ in طَوَتِ الْبِنْتُ. Aan het werkwoord zie je dus iets over de fāʿil, aan het lijdend voorwerp niet.
Verwar het lijdend voorwerp ook niet met de ism majrūr. Een naamwoord na een voorzetsel lijkt qua betekenis soms ook het doelwit van de handeling. Toch is het grammaticaal geen mafʿūl bih. In رَغِبْتُ فِي الْعَمَلِ (ik verlangde naar het werk) is الْعَمَلِ een ism majrūr. Het staat in jarr (kasra) na het voorzetsel فِي. Het boek zegt zelf dat hier een jār-majrūr op de plek van het voorwerp staat, zonder manṣūb te worden (at-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 318):
جَارٌّ وَمَجْرُورٌ وَقَعَا مَوْقِعَ الْمَفْعُولِ بِهِ
— at-Taṭbīq al-Iʿrābī (al-Kuwārī), p. 318
De vraag is steeds: bereikt de handeling het woord rechtstreeks (naṣb, mafʿūl bih), of via een ḥarf jarr (jarr, majrūr)? At-Taṭbīq laat ook een grensgeval zien. Het voorzetsel valt weg, en het woord dat eerst majrūr was, wordt manṣūb: أَمْسَكْتُ يَدَكَ. Dat geval heeft de naam die in de volgende regel staat (p. 319):
الْمَنْصُوبُ عَلَى نَزْعِ الْخَافِضِ
— at-Taṭbīq al-Iʿrābī (al-Kuwārī), p. 319
Dat randgeval en die naam komen in een latere fase aan bod.
— an-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾiyya), deel 1, p. 31 (voetnoot), 34; Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 367; at-Taṭbīq al-Iʿrābī (al-Kuwārī), p. 315, 318–319
Veelgemaakte fouten
Fout 1: 'het tweede woord is altijd het voorwerp, het eerste altijd de fāʿil'
fout:
بَنَى الْبَيْتَ إِبْرَاهِيمُ
Alleen naar de plaats kijken: dan zou إِبْرَاهِيمُ (het tweede woord) het voorwerp zijn.
goed:
بَنَى الْبَيْتَ إِبْرَاهِيمُ
Naar naamval en betekenis kijken: الْبَيْتَ (naṣb) is het voorwerp en إِبْرَاهِيمُ (rafʿ) de bouwer, ook al staat die achteraan.
Dat klopt vaak, maar het is een gewoonte, geen regel. Het Arabisch staat omkering toe. Wie alleen op de plaats let en niet op naamval en betekenis, ontleedt de eerste omgekeerde zin verkeerd. Vraag dus altijd: wie verricht de handeling, en op wie valt zij?
Fout 2: het voorwerp een ḍamma geven (marfūʿ maken)
fout:
أَكَلَ الذِّئْبُ الْخَرُوفَ
الْخَرُوف marfūʿ (ḍamma) lezen, 'omdat het toch ook een naamwoord is'.
goed:
أَكَلَ الذِّئْبُ الْخَرُوفَ
الْخَرُوفَ is manṣūb. Bij een mufrad is het teken de fatḥa op het eind, nooit een ḍamma.
De handeling valt erop, en 'vallen op' betekent naṣb. an-Naḥw al-Wāḍiḥ noemt dat als aparte conclusie: «أَنَّ الْمَفْعُولَ بِهِ آخِرُهُ مَنْصُوبٌ» (ibtidāʾiyya, deel 1, p. 34).
Fout 3: een ism majrūr voor lijdend voorwerp aanzien
fout:
رَغِبْتُ فِي الْعَمَلِ
الْعَمَل als mafʿūl bih (naṣb) lezen, omdat het qua betekenis het 'doelwit' lijkt.
goed:
رَغِبْتُ فِي الْعَمَلِ
الْعَمَلِ is ism majrūr (kasra) na het voorzetsel فِي: het staat in jarr, niet in naṣb.
Alleen wat de handeling rechtstreeks bereikt, zonder ḥarf jarr ertussen, is mafʿūl bih (at-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 318).
Fout 4: 'bij ontkenning is er geen voorwerp' of 'het moet iets fysiek ondergaan'
fout:
لَمْ أَفْهَمِ الدَّرْسَ
Denken dat er bij ontkenning geen lijdend voorwerp meer is, of dat het voorwerp altijd iets fysiek moet 'ondergaan'.
goed:
لَمْ أَفْهَمِ الدَّرْسَ
الدَّرْسَ blijft mafʿūl bih manṣūb, net als in het bevestigende فَهِمْتُ الدَّرْسَ.
De handeling 'valt' grammaticaal ook als zij ontkend wordt. At-Taṭbīq definieert het lijdend voorwerp uitdrukkelijk als datgene waarop de daad valt «إِثْبَاتًا أَوْ نَفْيًا», bevestigend of ontkennend (p. 315; at-Tuḥfa as-Saniyya, p. 124). De vraag is niet of het ding zichtbaar iets ondergaat. De vraag is of de handeling er grammaticaal op valt.
Een laatste fout is denken dat elk manṣūb woord een lijdend voorwerp is. At-Tuḥfa as-Saniyya somt vóór dit hoofdstuk vijftien manṣūbāt op (p. 122). Daaronder vallen de mafʿūl bih, de maṣdar, de ẓarf van tijd en plaats, en de ḥāl. Ook de tamyīz, de mustathnā en de munādā staan in die lijst, en meer. De mafʿūl bih is dus maar een van de vijftien. Alleen datgene waarop de handeling van de fāʿil valt, draagt die naam. De overige manṣūbāt komen in latere fases aan bod. Dat geldt ook voor de naṣb-tekens die van de fatḥa afwijken (farʿiyya).
— an-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾiyya), deel 1, p. 30–31, 34; at-Tuḥfa as-Saniyya (ʿAbd al-Ḥamīd), p. 122, 124; at-Taṭbīq al-Iʿrābī (al-Kuwārī), p. 315, 318
Zo zeggen de boeken het
De matn van al-Ājurrūmiyya geeft de kerndefinitie. Ibn ʿUthaymīn haalt hem aan en licht hem toe. In vertaling: 'Het [lijdend voorwerp] is het manṣūb naamwoord waaraan de handeling wordt verricht. Zoals in jouw uitspraak: ik sloeg Zayd, en ik bereed het paard':
وَهُوَ الِاسْمُ الْمَنْصُوبُ الَّذِي يَقَعُ بِهِ الْفِعْلُ، نَحْوَ قَوْلِكَ: ضَرَبْتُ زَيْدًا، وَرَكِبْتُ الْفَرَسَ
— Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 367
Kijk ook waar de naam vandaan komt: يَقَعُ بِهِ الْفِعْلُ, de handeling gebeurt 'bij' of 'aan' het. Vandaar mafʿūl bihi, 'datgene waaraan gedaan wordt'. De bāʾ onderscheidt het van de andere soorten mafʿūl.
an-Naḥw al-Wāḍiḥ geeft dezelfde regel als losse qāʿida. In vertaling: 'het lijdend voorwerp is een manṣūb naamwoord waarop de handeling van de fāʿil is gevallen':
الْمَفْعُولُ بِهِ: اسْمٌ مَنْصُوبٌ وَقَعَ عَلَيْهِ فِعْلُ الْفَاعِلِ
— an-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾiyya), deel 1, p. 30
At-Tuḥfa as-Saniyya splitst die definitie in drie voorwaarden. In vertaling: 'de naam mafʿūl bih wordt bij de grammatici gebruikt voor datgene waarin drie zaken samenkomen. Ten eerste: het is een naamwoord (geen werkwoord en geen partikel). Ten tweede: het is manṣūb (niet marfūʿ en niet majrūr). Ten derde: de handeling van de fāʿil is erop gevallen':
الْمَفْعُولُ بِهِ يُطْلَقُ عِنْدَ النَّحْوِيِّينَ عَلَى مَا اسْتَجْمَعَ ثَلَاثَةَ أُمُورٍ: الْأَوَّلُ: أَنْ يَكُونَ اسْمًا؛ فَلَا يَكُونُ الْمَفْعُولُ بِهِ فِعْلًا وَلَا حَرْفًا. وَالثَّانِي: أَنْ يَكُونَ مَنْصُوبًا؛ فَلَا يَكُونُ مَرْفُوعًا وَلَا مَجْرُورًا. وَالثَّالِثُ: أَنْ يَكُونَ فِعْلُ الْفَاعِلِ قَدْ وَقَعَ عَلَيْهِ
— at-Tuḥfa as-Saniyya (ʿAbd al-Ḥamīd), p. 123–124
At-Taṭbīq al-Iʿrābī vat alles samen in één zin. Ook het punt over bevestiging en ontkenning staat erin. In vertaling: 'het is een naamwoord dat wijst op iets waarop de handeling van de fāʿil viel, bevestigend of ontkennend. En de vorm van het werkwoord verandert er niet door':
وَهُوَ اسْمٌ دَلَّ عَلَى شَيْءٍ وَقَعَ عَلَيْهِ فِعْلُ الْفَاعِلِ إِثْبَاتًا أَوْ نَفْيًا، وَلَا تُغَيَّرُ لِأَجْلِهِ صُورَةُ الْفِعْلِ
— at-Taṭbīq al-Iʿrābī (al-Kuwārī), p. 315
Die laatste toevoeging zegt dat het werkwoord dezelfde vorm houdt. Dat onderscheidt het lijdend voorwerp van de nāʾib al-fāʿil, de vervanger van het onderwerp in de lijdende vorm. Dat is stof voor een latere fase.
— Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 367; an-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾiyya), deel 1, p. 30; at-Tuḥfa as-Saniyya (ʿAbd al-Ḥamīd), p. 123–124; at-Taṭbīq al-Iʿrābī (al-Kuwārī), p. 315
Soorten en contrast (ẓāhir/muḍmar)
De boeken verdelen het lijdend voorwerp in twee soorten: ẓāhir (een zichtbaar, uitgesproken naamwoord) en muḍmar (een voornaamwoord). De trainer oefent op niveau 1 alleen de eerste, duidelijkste vorm. Dat is een gewoon naamwoord in naṣb. Je ziet de naṣb direct aan de fatḥa op het eind (at-Tuḥfa as-Saniyya, p. 124; at-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 316):
Niveau 1: het duidelijke ẓāhir-voorwerp
| Zin | Doelwoord | Functie | Modelantwoord |
|---|---|---|---|
| ضَرَبَ مُحَمَّدٌ بَكْرًا | بَكْرًا | lijdend voorwerp (ẓāhir) | مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ |
| قَطَفَ إِسْمَاعِيلُ زَهْرَةً | زَهْرَةً | lijdend voorwerp (ẓāhir) | مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ |
| فَتَحَ خَالِدٌ الْحِيرَةَ | الْحِيرَةَ | lijdend voorwerp (ẓāhir) | مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ |
De naṣb is geen detail: hij bepaalt de betekenis. Zet fāʿil en mafʿūl bih daarom naast elkaar. Let op de laatste klinker, want die laat de hele rol zien (an-Naḥw al-Wāḍiḥ, ibtidāʾiyya, deel 1, p. 33–34):
Fāʿil (rafʿ) tegenover mafʿūl bih (naṣb): de laatste klinker laat de rol zien
| Zin | Doelwoord | Functie | Modelantwoord |
|---|---|---|---|
| صَادَ الْغُلَامُ سَمَكَةً | سَمَكَةً | voorwerp (naṣb); fāʿil = الْغُلَامُ (rafʿ) | مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ |
| تَجْمَعُ الْبِنْتُ الْأَزْهَارَ | الْأَزْهَارَ | voorwerp (naṣb); fāʿil = الْبِنْتُ (rafʿ) | مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ |
| قَذَفَ اللَّاعِبُ الْكُرَةَ | الْكُرَةَ | voorwerp (naṣb); fāʿil = اللَّاعِبُ (rafʿ) | مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ |
Draai de naamvallen van الْغُلَامُ en سَمَكَةً in gedachten om. Dan heb je een andere zin: 'een vis ving de jongen'.
Bij een voornaamwoord als voorwerp ligt het anders. Daar zie je geen fatḥa, want zulke voornaamwoorden zijn mabnī (onverbuigbaar). De -نِي in هَدَانِي رَبِّي (mijn Heer leidde mij) is een gebonden (muttaṣil) lijdend voorwerp. In ﴿إِيَّاكَ نَعْبُدُ﴾ (U alleen aanbidden wij) is إِيَّاكَ een losstaand (munfaṣil) lijdend voorwerp, hier vooropgeplaatst (at-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 316; at-Tuḥfa as-Saniyya, p. 124). Op niveau 1 hoef je alleen te herkennen dát de handeling op zo'n voornaamwoord valt.
Scherper onderscheiden: ṣarīḥ en ghayr ṣarīḥ
At-Taṭbīq maakt een nog fijnere indeling. Het lijdend voorwerp is eerst ṣarīḥ (expliciet) of ghayr ṣarīḥ (niet-expliciet). Het ṣarīḥ-type splitst zich daarna in ẓāhir en muḍmar (p. 316).
Vooruitblik: de maḥall-formulering
Voor wie vooruit wil kijken. Die voornaamwoorden zijn mabnī, dus je ziet er geen naṣb-teken aan. Toch staan ze op de plaats van naṣb. De boeken zeggen dat zo: fī maḥalli naṣbin (in de positie van naṣb). Die formulering komt pas na het onderscheid muʿrab/mabnī aan bod. Op niveau 1 is zij nooit een vereist modelantwoord. Je hoeft er ook geen rijtje voornaamwoorden voor te kennen.
Andere manṣūbāt en mafʿūl-soorten (latere fases)
Dit hoort nog niet bij niveau 1, maar zo weet je wat er verder bestaat. De boeken kennen nog meer manṣūbāt die ook 'mafʿūl' heten. Dat zijn al-mafʿūl al-muṭlaq (de absolute infinitief) en al-mafʿūl fīh (de tijd- of plaatsbepaling). Daarnaast al-mafʿūl li-ajlih (de reden) en al-mafʿūl maʿah (de begeleiding). Sommige werkwoorden nemen bovendien twee lijdende voorwerpen tegelijk. Zie de voorbeeldregel direct onder dit blok: daar is zowel الْفَقِيرَ als ثَوْبًا manṣūb. En het lijdend voorwerp kan ghayr ṣarīḥ zijn. Dan is het geen los woord, maar een hele bijzin of een omgevormde maṣdar (maṣdar muʾawwal), zoals ﴿أَنْ يُشْرَكَ بِهِ﴾ (at-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 315–317). Al die uitbreidingen komen in latere fases aan bod.
كَسَا الْمُحْسِنُ الْفَقِيرَ ثَوْبًا
de weldoener kleedde de arme met een gewaad: het voorbeeld met twee voorwerpen uit de verdieping hierboven (latere fase)
— an-Naḥw al-Wāḍiḥ (ibtidāʾiyya), deel 1, p. 33–34; at-Tuḥfa as-Saniyya (ʿAbd al-Ḥamīd), p. 124; at-Taṭbīq al-Iʿrābī (al-Kuwārī), p. 315–317; Sharḥ al-Ājurrūmiyya (Ibn ʿUthaymīn), p. 368–369
Bron
Waar dit onderdeel behandeld wordt
al-Ājurrūmiyya
باب المفعول به — «هو الاسمُ المنصوبُ الذي يقعُ به الفِعلُ»
an-Naḥw al-Wāḍiḥ
an-Naḥw al-Wāḍiḥ II — hoofdstuk المفعول به
In de boeken
Vindplaatsen in de eigen bibliotheek
al-Tuḥfa al-Saniyya bi-Sharḥ al-Muqaddima al-Ājurrūmiyya
p. 123–127باب المفعول به
Sharḥ al-Ājurrūmiyya
p. 367–380بَابُ المفعُول بِه
al-Khulāṣa al-Naḥwiyya fī Sharḥ al-Muqaddima al-Ājurrūmiyya
p. 260–270بَابُ الْمَفْعُول بِهِ
al-Naḥw al-Wāḍiḥ fī Qawāʿid al-Lugha al-ʿArabiyya
deel 1 · p. 30–33المفعول به
al-Taṭbīq al-Iʿrābī
p. 315–319المفعول به
Voorbeelden
„De jongen las het boek.”
Volledige iʿrāb · manṣūb
مَفْعُول بِهِ مَنْصُوب وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- قَرَأَفِعْل مَاضٍ مَبْنِيّ عَلَى الفَتْح
- الْوَلَدُفَاعِل مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- الْكِتَابَمَفْعُول بِهِ مَنْصُوب وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„De jongen opende de deur.”
Volledige iʿrāb · manṣūb
مَفْعُول بِهِ مَنْصُوب وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- فَتَحَفِعْل مَاضٍ مَبْنِيّ عَلَى الفَتْح
- الْوَلَدُفَاعِل مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- الْبَابَمَفْعُول بِهِ مَنْصُوب وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„De student at het eten.”
Volledige iʿrāb · manṣūb
مَفْعُول بِهِ مَنْصُوب وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- أَكَلَفِعْل مَاضٍ مَبْنِيّ عَلَى الفَتْح
- الطَّالِبُفَاعِل مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- الطَّعَامَمَفْعُول بِهِ مَنْصُوب وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Voorbeelden uit de bronnen
„Allah verruimt de levensvoorziening voor wie Hij wil en Hij beperkt. Zij verheugen zich over het wereldse leven, terwijl het wereldse leven in vergelijking met het Hiernamaals slechts een verganke lijke genieting is.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (13:26) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 13:26
مَفْعُول بِهِ مَنْصُوب وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- ٱللَّهُمُبْتَدَأ مَرْفُوع وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- يَبْسُطُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- ٱلرِّزْقَمَفْعُول بِهِ مَنْصُوب وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Qurʾān 17:78
مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — أَقِمِ is een gebiedende wijs (فعل أمر) en دُلُوكِ الشَّمْسِ is een iḍāfa; de amr-vormen komen verderop in de werkwoord-as van fase 1 aan bod, de iḍāfa wordt in fase 6 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- أَقِمِفِعْلُ أَمْرٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، حُرِّكَ بِالْكَسْرِ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا، تَقْدِيرُهُ أَنْتَ
- ٱلصَّلَوٰةَمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- لِدُلُوكِاللَّامُ حَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْكَسْرِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. دُلُوكِ: اسْمٌ مَجْرُورٌ بِاللَّامِ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ. وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالْفِعْلِ أَقِمْ
- ٱلشَّمْسِمُضَافٌ إِلَيْهِ مَجْرُورٌ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ
„Het is niet hun vlees en niet hun bloed dat Allah bereikt, maar wat Hem bereikt is de vrees (voor Hem). Zo heeft Hij hen aan jullie dienstbaar gemaakt, opdat jullie Allah verheerlijken omdat Hij jullie leidde. En breng verheugende tijdingen aan de weldoeners.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (22:37) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 22:37
لَفْظُ الْجَلَالَةِ مَفْعُولٌ بِهِ مُقَدَّمٌ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ
Vooruitblik — لُحُومُهَا is een iḍāfa met het gebonden voornaamwoord هَا als مضاف إليه; de iḍāfa komt in fase 6, de pronomen-ontleding in fase 5. اللهَ staat hier als vooropgeplaatst lijdend voorwerp (مفعول به مقدَّم); de vooropplaatsing wordt in fase 3 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَنحَرْفُ نَفْيٍ وَنَصْبٍ وَاسْتِقْبَالٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- يَنَالَفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(لَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ
- ٱللَّهَلَفْظُ الْجَلَالَةِ مَفْعُولٌ بِهِ مُقَدَّمٌ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ
- لُحُومُهَافَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ. وَهَا: ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٍ إِلَيْهِ
Qurʾān 2:187
مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — أَتِمُّوا is een gebiedende wijs (فعل أمر) met een واو-voornaamwoord als فاعل; de amr-vormen komen verderop in de werkwoord-as van fase 1 aan bod, de pronomen-ontleding in fase 5.
Volledige ontleding— toon per woord
- ثُمَّحَرْفُ عَطْفٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- أَتِمُّوا۟فِعْلُ أَمْرٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى حَذْفِ النُّونِ لِاتِّصَالِهِ بِوَاوِ الْجَمَاعَةِ، وَالْوَاوُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ، وَالْأَلِفُ لِلتَّفْرِيقِ حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- ٱلصِّيَامَمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- إِلَىحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- ٱلَّيْلِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ(إِلَى)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالْفِعْلِ أَتِمُّوا
„Hij (Allah) kent het verraad van de ogen en wat de harten verbergen.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (40:19) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 40:19
مَفْعُول بِهِ مَنْصُوب وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَاف
Volledige ontleding— toon per woord
- يَعْلَمُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- خَآئِنَةَمَفْعُول بِهِ مَنْصُوب وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَاف
- ٱلْأَعْيُنِمُضَاف إِلَيْهِ مَجْرُور وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„O jullie die geloven, als jullie (de godsdienst van) Allah helpen, dan zal Hij jullie helpen en jullie voeten stevig (op het slagveld) plaatsen.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (47:7) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 47:7
لَفْظُ الْجَلَالَةِ، مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — تَنْصُرُوا is een werkwoord van de أفعال الخمسة: het jazm-teken is dan het wegvallen van de nūn (حذف النون), en de wāw is de fāʿil — dat komt in een latere fase. In يَنْصُرْكُمْ is كُمْ een gebonden voornaamwoord (lijdend voorwerp); de pronomen-ontleding komt in fase 5 aan bod.
Volledige ontleding— toon per woord
- إِنحَرْفُ شَرْطٍ جَازِمٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- تَنصُرُوا۟فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ؛ لِأَنَّهُ فِعْلُ الشَّرْطِ، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ حَذْفُ النُّونِ؛ لِأَنَّهُ مِنَ الْأَفْعَالِ الْخَمْسَةِ، وَالْوَاوُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ، وَالْأَلِفُ لِلتَّفْرِيقِ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- ٱللَّهَلَفْظُ الْجَلَالَةِ، مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- يَنصُرْكُمْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ؛ لِأَنَّهُ جَوَابُ الشَّرْطِ، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ هُوَ، وَالْكَافُ: ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ فِي مَحَلِّ نَصْبٍ مَفْعُولٌ بِهِ، وَالْمِيمُ عَلَامَةُ جَمْعِ الذُّكُورِ حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
„Behalve wat Allah wil. Voorwaar, Hij kent het openlijke en het verborgene.” — vert. SiregarVertaling van de volledige āyah (87:7) — niet alleen van het hierboven getoonde fragment.
Qurʾān 87:7
مَفْعُول بِهِ مَنْصُوب وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- يَعْلَمُفِعْل مُضَارِع مَرْفُوع لِتَجَرُّدِهِ مِنَ النَّاصِبِ وَالْجَازِمِ وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- ٱلْجَهْرَمَفْعُول بِهِ مَنْصُوب وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„Wie iets goeds deed ter grootte van een mosterdzaadje, zal het dan zien.” — vert. Siregar
Qurʾān 99:7
مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَافٌ
Vooruitblik — مَنْ is een voorwaardelijk betrekkelijk woord (اسم شرط) dat in de muṣḥaf aan de fāʾ vastzit (فَمَن); de ontleding van het اسم الشرط en zijn plaats (محل) komt in een latere fase. يَرَهُ is een zwak-eindigend werkwoord (معتل): het jazm-teken is het wegvallen van de gebrek-letter (حذف حرف العلة) en de هُ is een gebonden voornaamwoord — beide latere fasen; خَيْرًا (tamyīz) volgt eveneens later.
Volledige ontleding— toon per woord
- فَمَنالْفَاءُ حَرْفُ عَطْفٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ. مَنْ: اسْمُ شَرْطٍ جَازِمٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ مُبْتَدَأٌ
- يَعْمَلْفِعْلٌ مُضَارِعٌ فِعْلُ الشَّرْطِ مَجْزُومٌ بِـ(مَنْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ هُوَ
- مِثْقَالَمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَافٌ
- ذَرَّةٍمُضَافٌ إِلَيْهِ مَجْرُورٌ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ
- خَيْرًۭاتَمْيِيزٌ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ
- يَرَهُۥفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ؛ لِأَنَّهُ جَوَابُ الشَّرْطِ، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ حَذْفُ حَرْفِ الْعِلَّةِ مِنْ آخِرِهِ؛ لِأَنَّهُ مُعْتَلُّ الْآخِرِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ هُوَ، وَالْهَاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ نَصْبٍ مَفْعُولٌ بِهِ
„Als je goed zaait, dan oogst je goed.”
al-Khulāṣa al-Naḥwiyya, p. 132
مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — Beide werkwoorden dragen een verborgen fāʿil (ضمير مستتر وجوبًا, تقديره أنت — "jij"); die verborgen fāʿil wordt in een latere fase volledig ontleed (de plaats-ontleding).
Volledige ontleding— toon per woord
- إِنْأَدَاةُ شَرْطٍ وَجَزْمٍ
- تَزْرَعْفِعْلٌ مُضَارِعٌ فِعْلُ الشَّرْطِ مَجْزُومٌ بِـ(إِنْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَفَاعِلُهُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا تَقْدِيرُهُ أَنْتَ
- خَيْرًامَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- تَحْصُدْفِعْلٌ مُضَارِعٌ جَوَابُ الشَّرْطِ مَجْزُومٌ بِـ(إِنْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَفَاعِلُهُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ وُجُوبًا تَقْدِيرُهُ أَنْتَ
- خَيْرًامَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„Mohammed zal het dier niet pijnigen.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 1, p. 48
مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- لَنْحَرْفُ نَصْبٍ
- يُعَذِّبَفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(لَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- مُحَمَّدٌفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- الْحَيَوَانَمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„Mohammed heeft zijn les niet geleerd.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 1, p. 49
مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَالْهَاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
Vooruitblik — De هاء in دَرْسَهُ is een gebonden voornaamwoord als مضاف إليه; de iḍāfa komt in fase 6 en de pronomen-ontleding in fase 5 aan bod.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَمْحَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ وَقَلْبٍ
- يَحْفَظْفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- مُحَمَّدٌفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- دَرْسَهُمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَالْهَاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
„De man was niet onwetend in het zwemmen, zodat hij zou verdrinken.”
al-Naḥw al-Wāḍiḥ, deel 2, p. 185
مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — فَيَغْرَقَ is manṣūb door een verborgen أَنْ na de فاء السببية — dat hoort bij de nawāṣib-restant die later in je leerpad volgt. De kasra onder يَجْهَلِ is niet het teken: het teken blijft sukūn, de kasra voorkomt de botsing van twee sukūns.
Volledige ontleding— toon per woord
- لَمْحَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ
- يَجْهَلِفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَجْزُومٌ بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُونُ. وَحُرِّكَ بِالْكَسْرِ مَنْعًا لِالْتِقَاءِ السَّاكِنَيْنِ
- الرَّجُلُفَاعِلٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- السِّبَاحَةَمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- فَيَغْرَقَالْفَاءُ لِلسَّبَبِيَّةِ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، وَيَغْرَقَ: فِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(أَنْ) مُضْمَرَةٍ وُجُوبًا، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ
„Het is de plicht van de mens om de behoeftige te helpen.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 195
مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — أَنْ met de manṣūب-muḍāriʿ (يُسَاعِدَ) is niveau-3-stof en wordt hier geoefend. Alleen de omzetting van أَنْ يُسَاعِدَ tot één maṣdar muʾawwal (= مُسَاعَدَة, hier de khabar) volgt in fase 2 (de nawāsikh).
Volledige ontleding— toon per woord
- وَاجِبٌمُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- عَلَىحَرْفُ جَرٍّ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- الْإِنْسَانِاسْمٌ مَجْرُورٌ بِـ(عَلَى)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَالْجَارُّ وَالْمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِنَعْتٍ مَحْذُوفٍ
- أَنْحَرْفُ مَصْدَرٍ وَنَصْبٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الْإِعْرَابِ
- يُسَاعِدَفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَنْصُوبٌ بِـ(أَنْ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ هُوَ، وَالْمَصْدَرُ الْمُؤَوَّلُ مِنْ (أَنْ يُسَاعِدَ) فِي مَحَلِّ رَفْعٍ خَبَرٌ
- الْمُحْتَاجَمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
„De student schreef een brief.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 279
مَفْعُول بِهِ مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- كتبَفِعْل مَاضٍ، مَبْنِيّ عَلَى الفَتْح الظَّاهِر عَلَى آخِرِهِ
- الطالبُفَاعِل مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- رسالةًمَفْعُول بِهِ مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„Wij lazen de les.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 280
مَفْعُول بِهِ مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — De نا in قرأنا is een gebonden voornaamwoord (de fāʿil); de pronomen-ontleding (ضمير متصل في محل رفع فاعل) wordt in de maʿārif/pronomina-fase (fase 5) behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- قَرَأْنَافِعْل مَاضٍ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لِاتِّصَالِهِ بِـ(نَا) الدَّالَّةِ عَلَى الفَاعِلِينَ، وَ(نَا) ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ
- الدَّرْسَمَفْعُول بِهِ مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„ʿĀʾisha las het boek.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 284
مَفْعُول بِهِ مُقَدَّم مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة
Vooruitblik — De volgorde-etiketten مقدم/مؤخر en de تاء للتأنيث aan het werkwoord worden in latere fasen behandeld; عائشة weigert bovendien de tanwīn (ممنوع من الصرف — fase 6).
Volledige ontleding— toon per woord
- قَرَأَتِفِعْل مَاضٍ، مَبْنِيّ عَلَى الفَتْح الظَّاهِر عَلَى آخِرِهِ، وَالتَّاءُ لِلتَّأْنِيثِ حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَابِ
- الْكِتَابَمَفْعُول بِهِ مُقَدَّم مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة
- عَائِشَةُفَاعِل مُؤَخَّر مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„Mūsā bezocht ʿĪsā.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 290
مَفْعُول بِهِ مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة المُقَدَّرَة عَلَى الأَلِف لِلتَّعَذُّرِ
Vooruitblik — موسى en عيسى eindigen op een alif die geen klinker kan dragen: het teken is er wel, maar onzichtbaar (مقدرة، للتعذر). De onzichtbare en plaatsvervangende tekens worden in fase 6 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- زارَفِعْل مَاضٍ، مَبْنِيّ عَلَى الفَتْح الظَّاهِر عَلَى آخِرِهِ
- موسىفَاعِل مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة المُقَدَّرَة عَلَى الأَلِف لِلتَّعَذُّرِ
- عيسىمَفْعُول بِهِ مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة المُقَدَّرَة عَلَى الأَلِف لِلتَّعَذُّرِ
„Zijn eigenaar las het boek.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 291
مَفْعُول بِهِ مُقَدَّم مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — صاحبه is een iḍāfa met een gebonden voornaamwoord als مضاف إليه; de iḍāfa-ontleding wordt in fase 6 en de pronomina worden in fase 5 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- قَرَأَفِعْل مَاضٍ، مَبْنِيّ عَلَى الفَتْح الظَّاهِر عَلَى آخِرِهِ
- الْكِتَابَمَفْعُول بِهِ مُقَدَّم مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- صَاحِبُهُفَاعِل مُؤَخَّر مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَاف، وَالهَاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
„Alleen Muḥammad heeft de les uitgelegd.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 292
مَفْعُول بِهِ مُقَدَّم مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — لم + مضارع (jazm) hoort bij de werkwoord-as (fase 1) en de uitsluiting met إلا (حصر/استثناء) bij de manṣūbāt-fase (fase 4).
Volledige ontleding— toon per woord
- لَمْحَرْفُ نَفْيٍ وَجَزْمٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَابِ
- يَشْرَحِفِعْل مُضَارِع مَجْزُوم بِـ(لَمْ)، وَعَلَامَةُ جَزْمِهِ السُّكُون الظَّاهِرَة
- الدَّرْسَمَفْعُول بِهِ مُقَدَّم مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- إِلَّاحَرْفُ اسْتِثْنَاءٍ نُقِضَ عَمَلُهُ بِالنَّفْيِ وَالنَّقْصِ يُفِيدُ الحَصْرَ، حَرْفٌ مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَابِ
- مُحَمَّدٌفَاعِل مُؤَخَّر مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„Ik las de les.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 315
مَفْعُول بِهِ مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — De تاء in قرأتُ is een gebonden voornaamwoord (de fāʿil); de pronomen-ontleding (ضمير متصل في محل رفع فاعل) wordt in de maʿārif/pronomina-fase (fase 5) behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- قرأتُفِعْل مَاضٍ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لِاتِّصَالِهِ بِتَاءِ الفَاعِلِ المُتَحَرِّكَةِ، وَالتَّاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ
- الدرسَمَفْعُول بِهِ مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„Khālid veroverde al-Ḥīra.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 316
مَفْعُول بِهِ مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Volledige ontleding— toon per woord
- فتحَفِعْل مَاضٍ، مَبْنِيّ عَلَى الفَتْح الظَّاهِر عَلَى آخِرِهِ
- خالدٌفَاعِل مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- الحيرةَمَفْعُول بِهِ مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
„Ik meende dat de mus floot.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 318
مَفْعُولٌ بِهِ أَوَّلُ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — حَسِبَ is een werkwoord van menen (أفعال الظن) met twee objecten; de jumla يُغَرِّدُ als tweede مفعول به wordt in fase 2 behandeld. De تاء in حَسِبْتُ is een gebonden voornaamwoord (de fāʿil); de pronomen-ontleding komt in fase 5.
Volledige ontleding— toon per woord
- حَسِبْتُفِعْلٌ مِنْ أَفْعَالِ الظَّنِّ يَنْصِبُ مَفْعُولَيْنِ أَصْلُهُمَا مُبْتَدَأٌ وَخَبَرٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ لِاتِّصَالِهِ بِتَاءِ الْفَاعِلِ الْمُتَحَرِّكَةِ، وَالتَّاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ
- الْعُصْفُورَمَفْعُولٌ بِهِ أَوَّلُ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- يُغَرِّدُفِعْلٌ مُضَارِعٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا، تَقْدِيرُهُ هُوَ. وَالْجُمْلَةُ مِنَ الْفِعْلِ وَالْفَاعِلِ فِي مَحَلِّ نَصْبٍ مَفْعُولٌ بِهِ ثَانٍ
„Ik pakte jouw hand vast.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 319
مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ (بِنَزْعِ الْخَافِضِ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَالْكَافُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
Vooruitblik — يَدَكَ is manṣūb «op nazʿ al-khāfiḍ» (het weggevallen voorzetsel); die verantwoording wordt in de manṣūbāt-fase (fase 4) behandeld. De كاف is een gebonden voornaamwoord als مضاف إليه (fase 5/6), en de تاء in أَمْسَكْتُ is de fāʿil (fase 5).
Volledige ontleding— toon per woord
- أَمْسَكْتُفِعْلٌ مَاضٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ لِاتِّصَالِهِ بِتَاءِ الْفَاعِلِ الْمُتَحَرِّكَةِ، وَالتَّاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ
- يَدَكَمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ (بِنَزْعِ الْخَافِضِ)، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَالْكَافُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
„Ik las het boek in de avond.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 394
مَفْعُول بِهِ مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — De تاء in قرأتُ is een gebonden voornaamwoord (de fāʿil); de pronomen-ontleding wordt in de maʿārif/pronomina-fase (fase 5) behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- قرأتُفِعْل مَاضٍ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون لِاتِّصَالِهِ بِتَاءِ الفَاعِلِ المُتَحَرِّكَةِ، وَالتَّاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ
- الكتابَمَفْعُول بِهِ مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- فيحَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
- المساءِاِسْم مَجْرُور بِـ(فِي)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَالجَارُّ وَالمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالفِعْلِ قَرَأْتُ
„Ik wierp de pijl vanaf de boog.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, p. 403
مَفْعُول بِهِ مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — De تاء in رميتُ is een gebonden voornaamwoord (de fāʿil); de pronomen-ontleding wordt in de maʿārif/pronomina-fase (fase 5) behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- رميتُفِعْل مَاضٍ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون؛ لِاتِّصَالِهِ بِتَاءِ الفَاعِلِ المُتَحَرِّكَةِ، وَالتَّاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى الضَّمِّ، فِي مَحَلِّ رَفْعٍ فَاعِلٌ
- السهمَمَفْعُول بِهِ مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- عَنِحَرْف جَرّ، مَبْنِيّ عَلَى السُّكُون، لَا مَحَلَّ لَهُ مِنَ الإِعْرَاب
- القوسِاِسْم مَجْرُور بِـ(عَنْ)، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الكَسْرَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ، وَالجَارُّ وَالمَجْرُورُ مُتَعَلِّقَانِ بِالفِعْلِ رَمَيْتُ
„Een boekje veranderde de loop van mijn leven.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, pp. 188–189
مَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الْمُقَدَّرَةُ عَلَى الْأَلِفِ لِلتَّعَذُّرِ، وَهُوَ مُضَافٌ
Vooruitblik — Het khabar is hier een hele werkwoordszin (غَيَّرَ مَجْرَى حَيَاتِي); het khabar als zin wordt in fase 3 behandeld.
Volledige ontleding— toon per woord
- كُتَيِّبٌمُبْتَدَأٌ مَرْفُوعٌ، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّةُ الظَّاهِرَةُ عَلَى آخِرِهِ
- غَيَّرَفِعْلٌ مَاضٍ، مَبْنِيٌّ عَلَى الْفَتْحِ الظَّاهِرِ عَلَى آخِرِهِ، وَالْفَاعِلُ ضَمِيرٌ مُسْتَتِرٌ جَوَازًا تَقْدِيرُهُ هُوَ
- مَجْرَىمَفْعُولٌ بِهِ مَنْصُوبٌ، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الْفَتْحَةُ الْمُقَدَّرَةُ عَلَى الْأَلِفِ لِلتَّعَذُّرِ، وَهُوَ مُضَافٌ
- حَيَاتِيمُضَافٌ إِلَيْهِ مَجْرُورٌ، وَعَلَامَةُ جَرِّهِ الْكَسْرَةُ الظَّاهِرَةُ، وَهُوَ مُضَافٌ، وَالْيَاءُ ضَمِيرٌ مُتَّصِلٌ، مَبْنِيٌّ عَلَى السُّكُونِ، فِي مَحَلِّ جَرٍّ مُضَافٌ إِلَيْهِ
„De weldoener kleedde de arme in een kleed.”
al-Taṭbīq al-Iʿrābī, pp. 315–316
مَفْعُول بِهِ أَوَّلُ مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
Vooruitblik — كسا neemt twee objecten (مفعول به أول en ثانٍ); dit werkwoordtype wordt in fase 2 behandeld. Het onzichtbare teken op كسا (مقدر op de alif) komt in fase 6 aan bod.
Volledige ontleding— toon per woord
- كسافِعْل مَاضٍ، مَبْنِيّ عَلَى الفَتْح المُقَدَّر عَلَى الأَلِف لِلتَّعَذُّرِ
- المحسنُفَاعِل مَرْفُوع، وَعَلَامَةُ رَفْعِهِ الضَّمَّة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- الفقيرَمَفْعُول بِهِ أَوَّلُ مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ
- ثوبًامَفْعُول بِهِ ثَانٍ مَنْصُوب، وَعَلَامَةُ نَصْبِهِ الفَتْحَة الظَّاهِرَة عَلَى آخِرِهِ